Tijd en aspect

Tijden in het Grieks: alleen het hele futurum en de indicativi van de andere actiones drukken op zichzelf tijd uit; het augment zet hierbij de desbetreffende manier van handelen in de verleden tijd.
  • futurum:
    • alle modi van het futurum drukken toekomstige tijd uit
  • "praesens" (actio durativa)
    • indicativus praesentis drukt tegenwoordige tijd uit
    • indicativus imperfecti drukt verleden tijd uit
    • andere modi drukken zich geen tijd uit of geven gelijktijdigheid aan
  • "aoristus" (actio aorista)
    • indicativus aoristi drukt verleden tijd uit
    • andere modi drukken zich geen tijd uit of geven (meestal) voortijdigheid aan
  • "perfectum" (actio perfecta)
    • indicativus perfecti drukt tegenwoordige tijd uit
    • indicativus plusquamperfecti drukt verleden tijd uit
    • andere modi drukken zich geen tijd uit of geven gelijktijdigheid aan
Aspect: Alle modi behalve het futurum (dus alle werkwoordsvormen behalve die van het futurum) in het Grieks geven wel aspect aan: dwz. ze geven in principe aan of een handeling of een gebeurtenis wordt voorgesteld als afgesloten of als niet afgesloten, maar daarnaast benadrukken ze ook vaak nog een ander aspect van de handeling of gebeurtenis:
  • "praesens/imperfectum" (actio durativa) aspect "niet afgesloten"
    • handeling/gebeurtenis/proces is/was nog aan de gang
    • beschrijving van situatie
    • de conatu: "proberen"; uit de tekst blijkt dat het beschrevene nog niet bereikt is/was
  • "aoristus" (actio aorista) aspect "afgesloten"
    • handeling/gebeurtenis/proces hebben hun eidpunt bereikt en worden gewoon meegedeeld of verteld
    • ingressief: bij werkwoorden die een toestand aanduiden, wordt de aoristus vaak gebruikt om het begin van die toestand aan te geven.
  • "perfectum/plusquanperfectum" (actio perfecta) aspect "niet afgesloten"
    • geeft een aanwezige toestand aan, die is/was ingetreden door/na een afgesloten handeling/ gebeurtenis/proces.
    • soms ook alleen maar een aanwezige toestand.