praesens/imperfectum activum e„mi = zijn

 

INDIC

ATIVUS

e„m…
zijn  

 

praesens

imperfectum

CONIUNC

OPTA

IMPERA

INFINITIVUS

1.ev

e„m…

Ã(n)

ç

e„hn

 

e„nai

2.ev

Ãsqa

Æj

e„hj

‡sqi

te zijn

3.ev

™st…(n)

Ãn

Æ

e„h

 

PARTICIPIUM

1.mv

™smšn

Ãmen

çmen

e„men

 

(™)wn , (™)ontoj

2.mv

™stš

Ãte

ºte

e„te

œste

(™)ousa

3.mv

e„s…(n)

Ãsan

çsi(n)

e„en

 

(™)on (™)ontoj

 

ik ben

ik was

laat ik zijn

moge ik zijn

wees !

zijnde

  Bij Hom: ipv e„ ook ™ssi gebruik inf.
    verbuiging ptcp
    vertaling ptcp
onregelmatige stamtijden

Let op: het futurum van e„mi = ™somai; 3e p. ev: ™stai.
Tijd "praesens"
  • "praesens"
    • indicativus praesentis drukt tegenwoordige tijd uit
    • indicativus imperfecti drukt verleden tijd uit
    • andere modi drukken zich geen tijd uit of geven gelijktijdigheid aan
Aspect "praesens"
  • "praesens" aspect "niet afgesloten"
    • handeling/gebeurtenis/proces is/was nog aan de gang
    • beschrijving van situatie
    • de conatu: "proberen"; uit de tekst blijkt dat het beschrevene nog niet bereikt is/was