CEVO minimumlijst
grieks
vereiste minimumkennis miv 2011:
Gebruik van de infintivus in het Grieks

Het gebruik van infinitivi in het grieks

A. DE INFINITIVUS ALS AANVULLING;
  1. De infinitivus als aanvulling bij werkwoorden: net als in het Nederlands na werkwoorden van "willen", "bevelen", "kunnen", "moeten", "beginnen", "proberen", "proberen", "schijnen" en "lijken" gebruikt het Grieks een infinitivus:
    1. bouletai sofoj enai = hij wil wijs zijn
    2. fainetai eƒdenai = hij schijnt te weten (Let op: fainomai + participium = blijken!)
  2. ™cw + inf = kunnen
  3. De infinitivus als aanvulling bij onpersoonlijke uitdrukkingen:
  4. De infinitivus als aanvulling bij bijvoeglijke naamwoorden:
B. DE ACCUSATIVUS CUM INFINITIVO
  • De A.c.i. - constructie en de vertaling ervan:
    • In een A.c.i. staat het onderwerp in de accusativus en de persoonsvorm in de infinitivus.
    • In het Ned. komt deze constructie allen voor na werkwoorden als "zien" en "horen"
      • B.v. Ik zie hem lachen = Ik zie dat hij lacht
    • Het vertalen van een A.c.i. : Vul eerst het woordje "dat" in, vertaal dan de acc. als onderwerp en dan de inf als persoonsvorm
    • In het Grieks kunnen i.p.v. een A.c.i. ook gewoon Ðti of æj (dat) gebruikt worden.
  1. De A.C.I. bij "zeggen", "denken", "horen", "vernemen", "menen" enz.
    1. nomizw tauta ¢lhqh enai = ik meen dat die dingen waar zijn
  2. De A.C.I. bij "bevelen" en "willen"
    1. ™keleuon aÙt¾n katabhnai = ik beval haar naar beneden te gaan
  3. De A.C.I. bij onpersoonlijke uitdrukkingen of "beweringen met ™stin:
    1. Veel voorkomende onpersoonlijke uitdrukkingen zijn: dei (het is nodig, het moet), dokei (het schijnt), ™oiken (het blijkt), ™xestin (het is mogelijk/geoorloofd), crh (het is nodig, het moet)
      1. crh qnhtouj pascein = het is nodig dat stervelingen lijden
    2. "beweringen met ™stin zijn b.v. a„scron ™stin (hetr is schandelijk), dhlon ™stin (het is duidelijk), e„koj ™stin (het is evident, het is passend), kalon ™stin (het is mooi/goed).
C. DE NOMINATIVUS CUM INFINITIVO:
  1. Werkwoorden van "zeggen", "menen" en "bevelen" kunnen in het passief gevolgd worden door een infinitivus
    1. keleuetai ¢pienai = aan hem/hij wordt bevolen weg te gaan = men beveelt hem weg te gaan
 
D. RELATIEVE TIJD IN DE INDIRECTE REDE ( dit is het geval bij de werkwoorden van B1)
  1. Inf. praesens gelijktijdig: de handeling van de infinitivus vindt plaats op hetzelfde moment als die van de persoonsvorm.
  2. Inf. aoristus:voortijdig: de handeling van de infinitivus heeft eerder plaats gevonden dan die van de persoonsvorm
  3. Inf. perfectum:ingetreden resultaat/toestand van de handeling van de infinitivus bestaat op hetzelfde moment als (gelijktijdig met ) de handeling van de persoonsvorm
    1. .
  4. Inf. futurum: natijdig: geeft aan dat de handeling van de infinitivus later zal plaatsvinden dan die van de persoonsvorm

E. DE INFINITIVUS MET LIDWOORD.
  1. Door het plaatsen van het lidwoord onz. ev. (to, tou, tJ, to) voor een infinitivus wordt deze gebruikt als zelfstandig naamwoord:

F. DE INF. EN A.C.I. NA prin EN æste deze voegwoorden kunnen gevolgd worden door:
  1. de infinitivus, als het onderwerp hetzelfde is als dat van de persoonsvorm.
  2. de a.c.i., als het onderwerp een ander is dan dat van de persoonsvorm
G. INFINTIVUS MET ¢n
  1. potentialis
  2. irrealis
 

Als je het Griekse font nog niet hebt gedownload en geïnstalleerd, doe dat dan eerst hier.

GRIEKSE SYNTAXIS

  1. vormleer: deze behandelt de vormen, verbuiging en vervoeging van de verschillende woordsoorten
  2. syntaxis: deze behandelt het vormen van structuur in zinnen en van zinsverband
  3. stilistica
    1. a - c
    2. d - m
    3. n - z

Syntaxis per onderdeel

  1. Congruentie
  2. Gebruik lidwoord
  3. Functies naamvallen
    1. Nominativus
    2. Genitivus
    3. Dativus
    4. Accusativus
  4. Gebruik voorzetsels
    1. met genitivus
    2. met dativus
    3. met accusativus
    4. met gen. èn acc.
    5. met gen, dat.. èn acc
  5. Gebruik van de infinitivus
  6. Gebruik van participium
  7. Gebruik van de modi
  8. Tijd en aspect
  9. Vraagzinnen
  10. Bijzinnen
  11. Ontkenningen