Ðde, ¹de, tode deze, dit (bij de spreker), het volgende; hij, zij, het

M
V
O
 
enkelvoud
nom. Ðde ¹de tode
gen. toude thsde toude
dat. tJde tVde tJde
acc. tonde thnde tode
 
meervoud
nom. oƒde aƒde tade
gen. twnde twnde twnde
dat. toisde taisde toisde
acc. tousde tasde tade

NB: dit aanwijzend vnw. is dus gelijk aan het lidwoord + de