oØtoj, aÛth, touto die, dat, (bij de toegesprokene), het voorafgaande; hij, zij, het

M
V
O
 
enkelvoud
nom. oØtoj aÛth touto
gen. toutou taÚthj toutou
dat. toutJ taÚtV toutJ
acc. touton taÚthn touto
 
meervoud
nom. oØtoi aÛtai taàta
gen. toutwn toutwn toutwn
dat. toutoij taÚtaij toutoij
acc. toutouj taÚtaj taàta
LET OP: Bij: oØtoj, aÛth, touto staat het accent nooit op de laatste lettergreep!! Staat er bij de aut- vormen wel een accent op de laatste lettergreep dan komt het van aÙtÒj ( zelf etc.)!! klik dan hier.
Als oØtoj etc. gaan ook: toioutoj, toiauth, toiouto en tosoutoj, tosauth, tosouto.
Dit aanw. vnw. kan versterkt worden met een -i : oØtosi etc.