het gebruik van participia voorafgegaan door een lidwoord

Bij het vertalen van Griekse participia moet je vooral letten op enerzijds aspect van de handeling anderzijds op de gelijktijdigheid (terwijl, toen), voortijdigheid (nadat) en natijdigheid ( om te) want:

Alle participia, behalve die van het futurum, drukken in de eerste plaats het aspect uit, daarnaast drukken zij een relatieve tijd ten opzichte van het hoofdwerkwoord uit!

  • part. praes.:
    • aspect: duratief: "aan de gang"
    • relatieve tijd: meestal gelijktijdig
    • "veilige" vertaling: terwijl
  • part. aoristus:
    • aspect: punctueel: "meedelen van gebeurtenissen" denk ook aan ingressief
    • relatieve tijd: meestal voortijdig, soms ook gelijktijdig
    "veilige" vertaling: nadat
  • part. perf.:
    • aspect: ingetreden toestand of resultaat van een handeling
    • relatieve tijd: de toestand of het resultaat (eerder ingetreden) is gelijktijdig !!
    • "veilige" vertaling: terwijl, toen (ingetreden is /was)
  • part. futurum:
    • met of zonder æj betekent altijd 'om te'

Klik hier voor de VORMEN van de participia

Voorbeelden van participia direct voorafgegaan door een lidwoord:

 

  1. er staat een lidwoord direct voor het ptcp: dan kun je het alsvolgt vertalen:
    1. letterlijk
      1. ton legonta = lett. de zeggende = de zegsman (Plato Apol)
      twn parontwn = van de aanwezigen (Plato Apol)
    2. als zelfstandig naamwoord
      1. ta .... e„rhmena = de gezegde dingen = de woorden (Eur. Med.64)
      2. oÙ nomizomena = onbehoorlijke dingen (Her. I,11)
      3. ta legomena = haar woorden (Her. I,11)
    3. als betrekkelijke bijzin: eerst betr. vnmw. dan ptcp al persoonsvorm:
      1. (tina) twn dokountwn = (iemand) van hen die menen (Plato Apol)
      2. touj ti dokountaj e„denai = degenen die menen iets te weten (Plato Apol)
      3. peri twn e„rhmenwn = over de dingen die gezegd waren (Plato Phaedo)
      4. twn ... ¢fikomenwn = van degenen die ... gekomen zijn (Plato Phaedo)
      5. ta genomena = de dingen, die gebeurd zijn (Her. I, 0)
      6. thj ¢noigomenhj qurhj = (achter) de deur die <gewoonlijk> geopend wordt (Her. I,9)
      7. to poihqen = dat, wat gedaan is (Her. I,10)
      8. twn prhcqentwn = van de dingen die gedaan zijn (Her. I,11)
      9. duwn Ðdwn parousewn = van de twee wegen die er zijn (Her. I,11)
      10. ton tauta bouleusanta = (hij), die die dingen bedacht heeft (Her. I, 11)
      11. ton ™me gumnhn qehsamenon ..kai poihsanta= (jij) die mij naakt gezien hebt ... en gedaan hebt (Her. I,11)

 

  1. er staat geen lidwoord direct voor maar congrueert met een woord of uitdrukking die geen lidwoord heeft, dan kun je alsvolgt vertalen:
    1. betrekkelijke bijzin:
      1. ta men .... ta de .....¢podecqenta = de dingen die deels .... deels.....verricht zijn (Her. I,8)
      2. Gughj ......¢reskomenoj malista = Gyges,....,die het meest bij hem in de smaak viel (Her. I,8)
    2. als bijstelling: