• prin + ind. = voordat (eenmalige gebeurtenis)
  • prin + coni. (+ ¢n ) = voordat (futuralis of iteratief)
    • prin .... puqwmai = voordat ik vernomen zal hebben/heb (Her. I, 32)
  • prin + inf. constr. = voordat
    • + inf. (ondw. hetzelfde als de hele zin)
    • + acc. cum inf. (ander ondw. dan dat van de hele zin)
  • prin....prin = eerder ...dan dat
    • t…j gar ken ¢nhr ....prin tlaih passasqai .... prin lusasqai = welke man ..zou durven eerder te eten .....dan dat losgemaakt zijn (Hom. Od. X, 383/5)