Vraagzinnen

  • Directe vraagzinnen:
    • eenledige vraagzinnen worden ingeleid door:
      • vragend voornaamwoord
      • vragend pronomen correlativum
      • vragend adverbium correlativum
      • vraagpartikels:
      • geen verwacht antwoord, geeft aan dat het vraag is: onvertaald:
        • «ra.....;
          • «ra safwj legw; = spreek ik duidelijk?
        • Ã.....;
          • Ã boulei; = wil je het?
      • verwachte antwoord is: ja, vertaling: (soms) niet?, toch wel?
        • «r' oÙ...;
          • «r' oÙ kalwj legousin; = spreken zij niet mooi? zij spreken toch mooi?
        • oÙ...;
          • oÙ ¢timon ™stin; = is het niet eerloos? het is toch eerloos?
        • oÜkoun....;
          • oÜkoun tod' ™stin deinon; = is dat niet verschrikkelijk?, dat is toch verschrikkelijk?
        • oÙkoàn .... (concluderend): dus (is het) toch:
          • oÙkoàn Ðmologoumeqa .....; = zijn we het niet ervover eens dat, we zijn het er dus over eens dat ...?
      • verwachte antwoord: nee: vertaling: wel?, toch niet?
        • «ra mh ....;
          • «ra mh fobei; = je bent toch niet bang?
        • mîn ....;
          • mîn ¢lgoj ™ceij; = je hebt toch geen pijn?
    • tweeledige vraagzinnen worden ingeleid door:
      • poteron , potera ...... ½ = ...... of
      • ......... ½ = ....... of
    • Let op:
      • oÜkoun....; = niet..?, toch wel?
      • oÙkoàn ... = concluderend: dus, toch?

  • Indirecte (afhankelijke) vraagzinnen:
    • tijd en modi als in directe vragen, alleen na historische tijden kan ook de optativus obliquus gebruikt worden.