CvE minimumlijst
grieks
vereiste minimumkennis syntaxis 2014:
Conditionele bijzinnen

Conditionele bijzinnen

  • Conditionele bijzinnen (voorwaardelijke bijzinnen) worden ingeleid door:
    • e„: = als, indien, wanneer. Deze bijzinnen geven de voorwaarde aan waaronder de situatie van de hoofdzin wordt verwezenlijkt.

      Een conditionele zin bestaat dua uit twee delen: de conditionele voorzin, met e„, die een voorwaarde of veronderstelling uitdrukt, ontkenning steeds mh, en de hoofd- of nazin, die het gevolg uidrukt van de in de voorzin vervatte voorwaarde of veronderstelling, ontkenning of mh.
  • De schrijver kan een conditionele zin voorstellen als:
  1. een werkelijkheid, reëel geval, realis: waarbij de nadruk gelegd wordt op ofwel de werkelijke vervulling ofwel de verwachting van die vervulling; dit kan met betrekking tot één feit of met betrekking tot een herhaald feit:
    1. met betrekking tot één feit:
      1. in het heden of verleden: de voorzin wordt voorgesteld volle werkelijkheid: een reëel geval:
        1. voorzin: e„ + indicativus.
        2. nazin: indicativus.
          1. voorbeelden
            1. e„ dh profrassa keleueij ... , luson.. = als je mij oprecht aanspoort ...., maak (dan) los...(Hom. Od. X, 386/7)
      2. in de toekomst: de voorzin drukt uit dat iets eventueel of onder een bepaalde voorwaarde te verwachten is, de nazin dat het gevolg dan zeker is: reëel futureel geval:
        1. voorzin: e„ + ¢n + coni. futuralis. (voorbeelden klik hier)
        2. nazin indicativus futuri.
    2. met betrekking tot een algemeen of zich herhalend feit:
      1. in het heden of de toekomst:
        1. voorzin: e„ + ¢n + coni. generalis. (voorbeelden klik hier)
        2. nazin: indicativus praesentis.
      2. in het verleden:
        1. voorzin: e„ + optat. iterativus.
          1. Ñlbiwteroj ™stin, e„ mh oƒ tuch ™pispoito = is gelukkiger, tenzij/ als niet hem het lot ten deel zou vallen (om) (Her. I, 32)
        2. nazin: indicativus historische (verleden) tijd
  2. niet-werkelijkheid, irreëel geval, irrealis:
    1. voorzin: e„ + indicativus historische tijd
    2. nazin: ¢n + indicativus historische tijd (voorbeelden klik hier):
      1. indic. imperfecti: voor het heden
      2. indic. aoristi: voor het verleden.
  3. mogelijkheid, potentieel geval, potentialis:
    1. voorzin: e„ + optativus.
    2. nazin: ¢n + optativus potentialis (voorbeelden klik hier)
 
 
 
 
 
 
 
 

Als je het Griekse font nog niet hebt gedownload en geïnstalleerd, doe dat dan eerst hier.

Griekse grammatica

  1. vormleer: deze behandelt de vormen, verbuiging en vervoeging van de verschillende woordsoorten
  2. syntaxis: deze behandelt het vormen van structuur in zinnen en van zinsverband
  3. stilistica en taaleigen
    1. a - c
    2. d - m
    3. n - z
    4. taaleigen Plato

Syntaxis per onderdeel

  1. Congruentie
  2. Gebruik lidwoord
  3. Functies naamvallen
    1. Nominativus
    2. Genitivus
    3. Dativus
    4. Accusativus
  4. Gebruik voorzetsels
    1. met genitivus
    2. met dativus
    3. met accusativus
    4. met gen. èn acc.
    5. met gen, dat.. èn acc
  5. Gebruik van de infinitivus
  6. Gebruik van participium
  7. Gebruik van de modi
  8. Tijd en aspect
  9. Vraagzinnen
  10. Bijzinnen
    1. causale
    2. concessieve
    3. conditionele
    4. declaratieve
    5. finale
    6. relatieve
    7. temporele
  11. Ontkenningen