CvE minimumlijst

grieks

De CvE-minimumlijst vormt het uitgangspunt bij de op het centrale examen gestelde vragen
en bij de annotatie van de ongeziene authentieke tekst.

De CvE gaat ervan uit dat de kandidaten vertrouwd zijn met volgende stilistische en narratologische begrippen.

Pars pro toto
Het noemen van een deel in plaats van een geheel

Even koppen tellen (= leerlingen tellen) 

oÙde steghn gar
steghn (dak) i.p.v. o„kian (huis)
(Euripides,Hippolytus 468)

Paradox
Schijnbare tegenstelling/tegenspraak

Parallellisme


Personificatie

Pleonasme

Polysyndeton
Het opsommen van minstens drie tekstelementen met voegwoorden

Die zorgt en waakt en slaaft en ploegt en zwoegt en zweet
(Joost van den Vondel, Palamedes)

`Hgoumai de, ç ¢ndrej, touto me dein ¢podeixai æj ™moiceuen 'Eratosqenhj
thn gunaika ™mhn kai ™keinhn te diafqeire kai touj paidaj touj ™mouj Æschune
kai ™me aÙtÕn Øbrisen ....

Ik meen, heren, dat ik het volgende moet bewijzen dat Eratoasthenes overspel pleegde met
mijn vrouw en haar te gronde richtte en mijn kinderen te schande maakte
en mij zelf schoffeerde.
(Lysias 1, 4))

Punt van overeenkomst
Zie vergelijking

Retorische vraag
Een vraag waarbij het niet de bedoeling van de vragensteller is dat er een antwoord gegeven wordt,
maar waarbij een sterke bewering of aansporing tot uiting komt

T…j d' oÙci qnhtwn; = Maar wie van de stervelingen niet? ( = Iedere sterveling wel° (Med 85)

              t… gar oÙk ™comen;
t…noj ™ndeomen mh oi pansudiv
cwrein Ñleqrou dia pantoj;


            want wat/welk kwaad hebben wij niet?
wat missen wij nog om niet in allerijl
totaal om te komen?
(Euripides, Troades 796-798)

Sententia / gnwmh

Tautologie

Tertium comparationis (punt van overeenkomst) zie Vergelijking

Vergelijking
Vorm van beeldspraak waarbij afgebeelde en beeld beide worden genoemd (dus met: als, zoals, gelijk aan)

1 afgebeelde (= persoon/zaak die vergeleken wordt)

2 beeld (= persoon/zaak waarmee vergeleken wordt)

3 punt van overeenkomst (= het aspect waarin afgebeelde en beeld overeenkomen)

hij is zo rood als een kreeft

dakrua qerma cewn éj te krhnh melanudroj,
¹ te kat' a„gilipoj petrhj dnoferon ceei Ødwr.

(Patroclus...,) warme tranen vergietend zoals een bron met donker water,
die van een steile rots donker water laat stromen.
(Homerus, Ilias XVI, 3-4)

1. de afgebeelde = Patroclus 2. het beeld = de bron op een steile rots 3. het van bovenaf neerstromen van water/tranen

Woordplaatsing aan het begin / einde van een regel / zin:
woorden voor- of achteraan een zin of regel krijgen nadruk (Let ook op of er soms enjambement is!)

Mhnin ¢eide, qea ... (De wrok bezing, godin...)
(Homerus Ilias, I, 1)
N.B: Het woord op eerste plaats van een heel epos krijgt niet alleen de nadruk, maar geeft ook aan wat het onderwerp is van het epos. Hier dus de wrok en niet de Trojaanse oorlog!)

'Andra moi ™nnepe, Mousa ... (De man bezing mij, Muze, ....)
(Homerus Odyssee 1, 1)
N.B: Het woord op eerste plaats van een heel epos krijgt niet alleen de nadruk, maar geeft ook aan wat het onderwerp is van het epos. Hier dus de man en niet de Trojaanse oorlog!)

'AtreŽdhj te, ¢nax ¢ndrwn, kai d‹oj 'Acilleuj.

(Homerus Ilias, I, 7)
Vertaling: Atreus' zoon, heerser over mannen, en de stralende Achilles
Door de plaatsing vooraan én achteraan worden de beiden om wie het gaat uiteengeplaatst en tegenover elkaar gezet.

 

 

 

 

vereiste minimumkennis vormleer in 2015
stilistica Grieks n - z

Als je het Griekse font nog niet hebt gedownload en geïnstalleerd, doe dat dan eerst hier.

Griekse Grammatica

  1. vormleer: deze behandelt de vormen, verbuiging en vervoeging van de verschillende woordsoorten
  2. syntaxis: deze behandelt het vormen van structuur in zinnen en van zinsverband
  3. stilistica:
    1. a - c
    2. d - m
    3. n - z
    4. stilistica Homerus
    5. narratologie
    6. taaleigen Homerus
      1. algemeen
      2. naamwoorden
      3. werkwoorden
      4. voornaamw.
      5. syntaxis
    7. metriek
    8. scanderen

Vormleer per onderdeel

  1. lidwoord
  2. zelfstandig naamwoord
    1. -a / -h stammen
    2. -o stammen
    3. medeklinker stammen
  3. bijvoeglijk naamwoorden
    1. -o / -a stammen
    2. medeklinker stammen
    3. megaj en poluj
  4. trappen van vergelijking
  5. bijwoorden
    1. correlativa
  6. telwoorden
  7. voornaamwoorden
    1. aanwijzende
    2. onbepaalde
    3. vragende
    4. persoonlijke
    5. bezittelijke
    6. betrekkelijke
    7. wederkerende
    8. corresponderende
    9. indirect reflexiva
  8. werkwoorden
    1. luw Act.
    2. luw Med.
    3. luw Pas.
    4. contracta A
    5. contracta M/P
    6. athematisch. A
    7. athematisch. M
    8. athematisch. P
    9. e„m… en emi
  9. stamtijden compl.
    1. onr. aoristi
    2. onr. futura
    3. onr. perfecta