CvE minimumlijst

grieks

vereiste minimumkennis vormleer in 2015
Bijzonderheden taaleigen Homerus

Naast de CvE minmumlijst worden bij het centrale examen 2015 zowel bij de vragen als de annotatie ook nog onderstaande verschijnselen bekend verondersteld. (behalve als er een bij staat)

Bijzonderheden taaleigen Homerus:
Syntaxis

1. Voorzetsels:
  1. worden vaak (nog) als bijwoord gebruikt:

    ¢mfi (I, 103) = rondom
    ™n ( I, 142) = er in, er op
    ™j ( I, 142) = er in, er op
    ¢na (I, 143) = er op, aan boord
    peri (VI, 320) = rondom, eromheen
    Øpo (XVI, 805) = van onderen
    proj (XXII, 59) = daarbij, bovendien

  2. staan soms in anastrofe, d.w.z. achter het woord waar ze bij horen; bij tweelettergrepige voorzetsels schuift het accent dan naar voren, echter niet bij ¢mf…, ¢n£ en di£.

    ú œpi (I, 162) = ™f' ú (waarvoor)
    machn ™j (XV, 59) = ™j machn (naar de strijd)
    nhswn œpi ( XXII, 45) = ™pi nhswn (op eilanden)
    a„sV ™n (XXII, 61) = ™n a„sV (in/met een lot)

2. te

 

  1. te achter een woord = kai voor een woord
    o„wnoisi te pasi (I, 5) = en voor alle roofvogels
  2. te wijst naar een volgend te of kai, alleen het tweede te of kai vertalen als en.
     te ...... kai (I, 7)
     te ....... te (I, 157
    1. bij nauw verbonden begrippen kan ook te kai voorkomen. Ook hier blijft te onvertaald
      uƒwn pollwn te kai ™sqlwn (XXII, 44) = van vele en edele zonen

  3. In spreekwoorden en vergelijkingen of in betrekkelijke bijzinnen markeert te dat het gaat om een uitspraak die algemeen geldig is, het zogenaamde episch te; kan onvertaald blijven
    1. in vergelijking:
      æj t´ ¢ster' (XXII, 26)

    2. in betrekkelijke bijzin:
      Ðj te megistoj Ðrkoj ........ pelei (XV, 37) = dat/die de grootste eed is
      Ðj ·a t' Ñpwrhj esin (XXII, 27) = die in de nazomer opkomt



 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 


Als je het Griekse font nog niet hebt gedownload en geïnstalleerd, doe dat dan eerst hier.

Griekse Grammatica

  1. vormleer: deze behandelt de vormen, verbuiging en vervoeging van de verschillende woordsoorten
  2. syntaxis: deze behandelt het vormen van structuur in zinnen en van zinsverband
  3. stilistica:
    1. a - c
    2. d - m
    3. n - z
    4. stilistica Homerus
    5. narratologie
    6. taaleigen Homerus
      1. algemeen
      2. naamwoorden
      3. werkwoorden
      4. voornaamw.
      5. syntaxis
    7. metriek
    8. scanderen

Vormleer per onderdeel

  1. lidwoord
  2. zelfstandig naamwoord
    1. -a / -h stammen
    2. -o stammen
    3. medeklinker stammen
  3. bijvoeglijk naamwoorden
    1. -o / -a stammen
    2. medeklinker stammen
    3. megaj en poluj
  4. trappen van vergelijking
  5. bijwoorden
    1. correlativa
  6. telwoorden
  7. voornaamwoorden
    1. aanwijzende
    2. onbepaalde
    3. vragende
    4. persoonlijke
    5. bezittelijke
    6. betrekkelijke
    7. wederkerende
    8. corresponderende
    9. indirect reflexiva
  8. werkwoorden
    1. luw Act.
    2. luw Med.
    3. luw Pas.
    4. contracta A
    5. contracta M/P
    6. athematisch. A
    7. athematisch. M
    8. athematisch. P
    9. e„m… en emi
  9. stamtijden compl.
    1. onr. aoristi
    2. onr. futura
    3. onr. perfecta