CvE minimumlijst

grieks

vereiste minimumkennis vormleer in 2016
Vormleer Grieks overzicht

"Lijst Stilistische en narratologische middelen minimumlijst Grieks CvE"
De CvE gaat ervan uit dat de kandidaten vertrouwd zijn met volgende stilistische en narratologische begrippen.

Onderwerpen voorzien van een staan niet in de minimumlijst Grieks en worden dus niet bekend verondersteld!!
N.B. Wanneer in eindexamenvragen het begrip tekstelement wordt gehanteerd, dan wordt daarmee bedoeld een woord, een woordgroep,
een bijzin of een zin.

Taaleigen en stilistica aanvullingen voor Herodotus

A. Algemeen

1. Het Ionisch heeft h, ook na r, i en e, waar het Attisch een lange a heeft.
    Voorbeelden:
    
1.0.1 ƒstorihj Attisch: „storiaj
1.205.3 basileihn Attisch: basileian
1.206.10 prhgma Attisch: pragma
1.206.12 cwrhn Attisch: cwran

2. Waar we in het Attisch -tt- vinden, staat in het Ionisch -ss-.
    Voorbeelden:

1.204.1 qalasshj Attisch: qalatthj
3.29.5 prhssousi Attisch: prattousi


3.
Contractie (samentrekking)
Vaak blijft in het Ionisch de samentrekking van klinkers binnen één woord achterwege, waar die samentrekking in het Attisch wel voorkomt.
In de meeste gevallen
geen samentrekking van e + klinker; maar eo wordt soms wel samengetrokken tot eu.

1.204.1 kaleomenoj Attisch: kaloumenoj
1.205.4 proecwree Attisch: proecwrei
1.205.5 ek tou ™mfaneoj Attisch: ek tou ™mfanouj
1.206.3 ¢naceu Attisch: ¢necou
1.206.7 bouleai Attisch: boulei
1.207.16 poieuntaj Attisch: poiountaj
1.211.7 pleunaj Attisch: pleonaj


4. (Ionische)
psilosis (het verlies van aspiratie)
     In het Ionisch werd een
geaspireerde medeklinker zonder h (aspiratie) uitgesproken, dit verschijnsel noemt men psilosis. Het komt
     zichtbaar voor na een prepositie of voorvoegsel, maar ook midden in een woord. (In de tekst blijft de Attische spiritus asper echter
     wel geschreven.)
    Voorbeelden:

1.204.2 ™kdeketai Attisch: ™kdecetai
1.204.4 p' oØj Attisch: ™f' oØj
1.208.1 meteij Attisch: meqeij

5. Het Ionisch heeft soms
ou, waar het Attisch o heeft.
    Voorbeelden:

1.205.2 noma Attisch: Ñnoma
1.209.8 mounon Attisch: monon

6. In plaats van het Attische
oÙn vinden we bij Herodotus altijd çn
    Voorbeelden:
    
1.204.3; 1.206.4; 1.207.8


7. In plaats van het Attische gignomai en gignwskw vinden we bij Herodotus altijd
ginomai en ginwskw
    Voorbeelden:
    3.28.4; 3.29.1; 3.31.7

8. De
vragende en betrekkelijke voornaamwoorden en bijwoorden die in het Attisch een p hebben,
     hebben bij Herodotus een
k.
    Voorbeelden:

1.204.6 ÐkV Attisch: ÐpV
1.206.10 Ðkotera Attisch: Ðpotera
1.209.5 kou Attisch: pou

9. In plaats van het Attische voorzetsel
e„j vinden wij bij Herodotus meestal ™j (ook in samengestelde werkwoorden)
    Voorbeelden:

1.204.2 ™j Attisch: e„j
1.206.8 ™sdexasqai Attisch: e„dexasqai


10. Augment
    Het augment ontbreekt soms bij werkwoorden die met een klinker of tweeklank beginnen; ook in perfectum mogelijk.
    Voorbeelden:

    
1.214.11 eØre Attisch: hØre
3. 28. 8 e„kasmenon Attisch: Ækasmenon
3, 31, 12 ™xeurhkenai Attisch: ™xhurhkenai
3. 31. 14 parexeuron Attisch: parexhuron


B. Andere taaleigenheden bij Herodotus.

Deze vind je in de betreffende paradigmata van de (voor)naamwoorden en werkwoorden, onder de linken van de betreffende
woorden in de tekst.

C. Aanvullende stilistica voor Herodotus:

1. Epanalepsis

Het oppakken van het hoofdverhaal na een digressie (uitweiding) door (al dan niet woordelijke)
herhaling van een deel van het voorafgaande:

(.....) ™j Ð diexelqontej taÚthn ™j thn ™rhmon ¢pikonto. `H d' ™rhmoj aÜth ....... (.......)
'Epei çn Ð Dareioj
ºlqe ™j ton ™rhmon (......)
(......) todat ze, na hier doorheen getrokken te zijn,
in de woestijn aankwamen. Die woestijn nu ...... (.......)
Toen Darius dus
in de woestijn gekomen was (......)
(
Herodotus, Historiae, 4, 123-124)


2. Kop-staartconstructie.

Constructie waarbij een vervoegde vorm van het werkwwoord aan het einde van een zin ("de staart") aan het begin van de
volgende zin ("de kop") weer wordt opgenomen door een participiumvorm van hetzelfde werkwoord.

OØtoj dh çn Ð Kandaulhj ºrasqh thj ˜wutou gunaikoj, ™rasqeij de (....)
Die Candaules nu
werd verliefd op zijn eigen vrouw, en eenmaal verliefd (....)
(
Herodotus, Historiae 1.8)