CvE minimumlijst

grieks

vereiste minimumkennis vormleer in 2016
Vormleer Grieks overzicht

"Lijst Stilistische en narratologische middelen minimumlijst Grieks CVE"
De CVE gaat ervan uit dat de kandidaten vertrouwd zijn met volgende stilistische en narratologische begrippen.

N.B. Wanneer in eindexamenvragen het begrip tekstelement wordt gehanteerd, dan wordt daarmee bedoeld een woord, een woordgroep,
een bijzin of een zin.

Argumentatieve begrippen Grieks

A-fortiori-redenering
Een redenering die stelt dat, wanneer in een bepaalde situatie iets geldt, het vanzelfsprekend is dat dit in een andere situatie
met des te meer reden geldt.

"Als een volwassene deze steen niet kan optillen, kan een kind dat al helemaal niet"

Herodotus vertelt dat de vrouw van Candaules het heel erg vond dat haar man haar naakt aan zijn dienaar had laten zien.
Hij voegt daaraan toe:
para gar toisi Ludoisi, scedon de kai para toisi ¢lloisi barbaroisi, kai ¢ndra Ñfqhnai gumnon
™j a„scunhn megalhn ferei.

Want bij de Lydiërs, zoals bij vrijwel alle niet-Grieken wordt het
zelfs als schandelijk beschouwd wanneer een man naakt gezien wordt.
(Herodotus, Historiae 1,10)
De redenering is: Als het al als schandelijk gezien beschouwd wordt dat een man naakt gezien wordt, dan wel helemaal als een vrouw
naakt wordt gezien
. (Bedenk hierbij dat het voor de Grieken normaal was dat mannen naakt sport bedreven).

Analogie
Een argumentatie die gebruikt maakt van een vergelijkbare situatie.

SWKRATES. `H de t…sin t… ¢podidousa Ñfeilomenon kai proshkon tecnh mageirikh kaleitai;
POLEMARCOS. 'H toij Ñyoij ta ¹dusmata
SWKRATHS. E„en: º oÙn dh t…sin t… ¢podidousa tecnh dikaiosunh ¢n kaloito;


Socrates: Wat moet een vak waaraan geven om bakkerskunst genoemd te worden?
Polemarchus: Een lekkere smaak aan gebak.
Socrates: Akkoord. En wat moet rechtvaardigheid aan wie geven om rechtvaardigheid genoemd te worden?
(Plato, Staat 332c-d)

Socrates trekt een analogie tussen het vak van banketbakker en de deugd rechtvaardigheid.


Autoriteitsargument
De verwijzing naar een uitspraak van een belangrijk persoon om een eigen bewering kracht bij te zetten.

kai <crh Ømaj> ™nqumhqhnai Ðti 'Alkibiadhn men ton propappon kai ton pros mhtroj pappon Megaklea
oƒ Ømeteroi progonoi dij ¢mfoterouj ™xwstrakisan, tou de patroj aÙtoà oƒ presbuteroi Ømwn
qanaton kategnwsan: æste crh ¹ghsamenouj patrikon ™cqron touton e„nai tV polei katayhfisasqai.

En jullie moeten bedenken dat jullie voorouders zijn overgrootvader Alcibiades en zijn grootvader van moederskant
Megacles beide tweemaal met het schervengericht hebben verbannen, en dat jullie ouders zijn vader ter dood hebben
veroordeeld; daarom moeten jullie hem nu beschouwen als een erfvijand van de stad en hem veroordelen.
(Lysias, 14. 39)

Invoeren fictieve spreker
Een opmerking van een denkbeeldige spreker.

„swj gar ¢n legontwn ¹mwn Ðti "OÙk Ñrqwj legete, ç ¢nqrwpoi, ¢lla yeudesqe",
™roint' ¢n ¹maj:
"'W Prwtagora te kai Swkratej, (.....) e„paton ¹min."
Want als wij zouiden zeggen: "Jullie hebben geen gelijk, mensen, maar jullie vergissen je",
dan zouden zij ons misschien vragen: "Protagoras en Socrates, (..........) zeg ons dat eens."
(Plato, Protagoras 353a)

Syllogisme
Een redenering waarbij een conclusie getrokken wordt uit twee premissen (stellingen),
een algemene (premisse maior) en een specifieke (premisse minor).

Bijvoorbeeld:
premisse maior = Alle mensen zijn sterfelijk
premisse minor = Socrates is een mens
conclusie: Socrates is sterfelijk

 

 

Als je het Griekse font nog niet hebt gedownload en geïnstalleerd, doe dat dan eerst hier.

Griekse Grammatica

  1. vormleer: deze behandelt de vormen, verbuiging en vervoeging van de verschillende woordsoorten
  2. syntaxis: deze behandelt het vormen van structuur in zinnen en van zinsverband
  3. stilistica:
    1. a - c
    2. d - m
    3. n - z
    4. aanvullingen Herodotus
    5. narratologie
    argumentatie

Vormleer per onderdeel

  1. lidwoord
  2. zelfstandig naamwoord
    1. -a / -h stammen
    2. -o stammen
    3. medeklinker stammen
  3. bijvoeglijk naamwoorden
    1. -o / -a stammen
    2. medeklinker stammen
    3. megaj en poluj
  4. trappen van vergelijking
  5. bijwoorden
    1. correlativa
  6. telwoorden
  7. voornaamwoorden
    1. aanwijzende
    2. onbepaalde
    3. vragende
    4. persoonlijke
    5. bezittelijke
    6. betrekkelijke
    7. wederkerende
    8. corresponderende
    9. indirect reflexiva
  8. werkwoorden
    1. luw Act.
    2. luw Med.
    3. luw Pas.
    4. contracta A
    5. contracta M/P
    6. athematisch. A
    7. athematisch. M
    8. athematisch. P
    9. e„m… en emi
  9. stamtijden compl.
    1. onr. aoristi
    2. onr. futura
    3. onr. perfecta