vereiste minimumkennis vormleer in 2017

OVERZICHT SYNTAXIS

De CvE-minimumlijst vormt het uitgangspunt bij de op het centrale examen gestelde vragen
en bij de annotatie van de ongeziene authentieke tekst.

De CvE gaat ervan uit dat de kandidaten vertrouwd zijn met volgende onderdelen van de syntaxis.


Onderwerpen voorzien van een staan niet in de minimumlijst Grieks !!

Alle onderstreepte blauwe woorden zijn linken naar de betreffende rijtjes of uitleg.

1. Congruentie

Het begrip congruentie / congrueren met: het zich in vorm / uitgang aanpassen aan.

Congruentieregels met betrekking tot:
-- onderwerp - persoonsvorm : de persoonsvorm congrueert met het onderwerp in persoon en getal; in perf. pass. ook in geslacht.
-- onderwerp - naamwoordelijk deel gezegde: het naamwoordelijk deel van het gezegde congrueert met het onderwerp in naamval,  geslacht     en getal. Naamwoordelijk gezegde komt voor bij de koppelwerkwoorden: e„mi =zijn en gignomai = worden.
-- bijstelling: een bijstelling congrueert in naamval en getal met het woord waar het bijgesteld is.
-- bijvoeglijke (voor)naamwoorden congrueren met de zelfstandige naamwoorden, waar ze bij horen, in naamval, gesllacht en getal.
-- betrekkelijke voornaamwoorden congrueren met hun antecedent in geslacht en getal. Hun naamval wordt bepaald door hun functie in     de bijzin.
-- bijvoeglijke bepaling: ofwel congrueert in geslacht, getal en naamval ofwel staat erbij in de genitivus.
-- predicatieve bepaling (vertalen met: als): een substantief in dezelfde naamval en getal bij een ander.
(volledig overzicht met voorbeelden)

2. Gebruik van het lidwoord

- het regelmatig ontbreken van het lidwoord bij een predicatieve bepaling en bij het naamwoordelijk deel van het gezegde .
- het gebruik van het lidwoord bij een bijvoeglijke bepaling.
- het gebruik van het lidwoord bij eigennamen en algemene zegswijzen.
- het gebruik van het lidwoord waar het Nederlands een bezittelijk voornaamwoord gebruikt.
- door het lidwoord kan heel veel zelfstandig gebruikt worden: (substantivering) van:
---- voorzetselgroepen, bijwoorden..
---- bijvoeglijke naamwoorden, participia, infinitivi (zonder aanvullingen).
- het gebruik van het lidwoord bij paj, mesoj en ¢lloj.
- de verbindingen Ð men......Ð de en oƒ men........oƒ de.
- het zelfstandig gebruik van Ð de
(volledig overzicht met voorbeelden)

3 Functies van de naamvallen:

- Nominativus: 
 
-- onderwerp/subiect   
-- naamwoordelijk deel van het gezegde ( Naamwoordelijk deel komt voor bij de koppelwerkwoorden: e„mi =zijn en gignomai = worden.)

- Genitivus:  

-- bijvoeglijke bepaling, met name
---- genitivus possessivus,
---- genitivus subiectivus én objectivus
-- als aanvulling bij werkwoorden
-- als aanvulling bij bijvoeglijke naamwoorden
-- bijwoordelijke bepaling, met name
---- van vergelijking: genitivus comparationis
---- van tijd: gen temporis
-- in de genitivus absolutus constructie.
(volledig overzicht met voorbeelden)


- Dativus:                   

-- meewerkend voorwerp
-- als aanvulling bij werkwoorden
-- als aanvulling bij bijvoeglijke naamwoorden
-- de bezitter bij het werkwoord e„nai, (dativus possessivus)
-- bijwoordelijke bepaling, met name van:
---- middel (dativus instrumenti)
---- wijze (dativus modi)
---- maat (dativus mensurae)
---- tijd (dativus temporis)
---- reden en oorzaak (dativus causae)
(volledig overzicht met voorbeelden)
 

- Accusativus:  

-- lijdend voorwerp/object
-- als onderwerp en naamwoordelijk deel van het gezegde in a.c.i. en a.c.p.
-- bijwoordelijke bepaling, met name van:
---- richting
---- tijdsduur
---- afstand
---- betrekking
(volledig overzicht met voorbeelden)  


- Vocativus:

-- aanspreekvorm

4. Preposities:

- het gebruik van naamvallen bij preposities.
--- met één naamval
----- met genitivus
----- met dativus
----- met accusativus
--- met genitivus of accusativus
--- met genitivus, dativus of accusativus

5. Bijvoeglijke naamwoorden:

- Bijvoeglijk en zelfstandig gebruikt.

6. Trappen van vergelijking:

- Het gebruik en de betekenis van vergrotende trap inclusief de betekenissen "tamelijk"en "te".
- Het gebruik en de betekenis van overtreffende trap: de betekenissen "-ste" en "zeer".
- Het gebruik van æj en Ðti + overtreffende trap: "zo .... mogelijk".


7. Voornaamwoorden:

- Bijvoeglijk en zelfstandig gebruik
- Het (ingesloten) antecedent van een betrekkelijke bijzin
-- Niet bekend verondersteld worden: de relatieve aansluiting en attractie


8. Werkwoorden:

- De begrippen overgankelijk/transitief en onovergankelijk/intransitief
- De begrippen directe rede en indirecte rede.

- Het gebruik en betekenis van de genera activum, medium en passivum:

-- Gebruik activumvorm

--Gebruik mediumvorm
---- belanguitdrukkend medium (indirect reflexief medium)
---- direct reflexief/wederkerig medium
---- intransitief medium
---- passief gebruik medium

--Gebruik passivumvorm (in aoristus- en futurumstam):
---- passief gebruik
---- intransitief passivum

- Het begrip medium tantum.

-

Gebruik van de tijden en aspect


- Het gebruik van de bij de vormleer genoemde tijden.

- De volgende aspectwaarden:

-- praesens en imperfectum (kernbetekenis: niet-afgesloten)
---- beschrijving van voortduring / poging / gewoonte / herhaalde handeling
---- beschrijving van achtergrondgebeurtenis(sen) in verhaal
---- praesens historicum: in een verhalende passage kan het praesens gebruikt worden om een gebeurtenis uit het verleden aan te       duiden

-- aoristus (kernbetekenis: afgesloten:
---- aanduiding van handeling gezien als handeling sec.
------ constaterend of nadruk op beginpunt of eindpunt van de handeling.

-- perfectum en plusquamperfectum:
---- een toestand als resultaat van de handeling in heden resp. verleden

(volledig overzicht met voorbeelden

Het gebruik en de betekenis van:

indicativus:

- realis
- irrealis( van het heden en verleden): ( in de hoofdzin met ¢n, in de conditionele bijzin zonder ¢n).

coniunctivus wordt gebruikt:

- in hoofdzinnen: aansporing, twijfel, verbod
- in bijzinnen met ¢n plausibele gebeurtenis in de toekomst (coniunctivus futuralis) of herhaalbare handeling/algemene handeling
   (coniunctivus iterativus/generalis)
- doelaangevend:( finalis)
- na werkwoorden van vrezen

optativus wordt gebruikt :

- in hoofdzinnen met ¢n, mogelijkheid (potentialis) (vaak in combinatie met een optativus in bijzin zonder ¢n),
    bescheiden geformuleerde mening, vriendelijk bevel/verzoek.
- in hoofdzinnen zonder ¢n (al dan niet ingeleid door e„qe / e„ gar): wens
- in conditionele bijzinnen zonder ¢n: mogelijkheid
- in bijzinnen (na historische tijd of praesens historicum in de hoofdzin:
---- in de indirecte rede
---- in conditionele en temporele bijzinnen verwijzend naar een herhaalde handeling in het verleden
---- in doelaangevende bijzinnen en na werkwoorden van vrezen
- in niet-conditionele bijzinnen met ¢n: mogelijkheid, bescheiden mening

imperativus wordt gebruikt:

- bij bevel / verzoek


infinitivus wordt gebruikt:
[kennen de begrippen gelijktijdigheid, voortijdig(heid) en natijdigheid]

- in a.c.i. en n.c.i.
- na prin en æste
- als aanvulling bij werkwoorden (inclusief ™cw) en bijvoeglijke naamwoorden
- subjects- en objectsaccusativus.
- gesubstantiveerde infinitivi
(volledig overzicht met voorbeelden


participium:
[kennen de begrippen gelijktijdigheid, voortijdig(heid) en natijdigheid]

- bijvoeglijk, zelfstandig en predicatief gebruik.
- het participium van het futurum met doelaangevende betekenis.
- in een genitivus absolutus met uitgedrukt onderwerp
- de participiumpartikels ¡te, æj en kai(per)
- als aanvulling bij tugcanw en lanqanw en bij pauomai en ¢rcomai
- in a.c.p. en n.c.p. bij werkwoorden die een gevoel, waarneming of weten (bijv. o„da) aanduiden
(volledig overzicht met voorbeelden

9. Vraagzinnen:

- Directe en indirecte vragen, inclusief vraagpartikels.
(volledig overzicht met voorbeelden

 

CvE minimumlijst

Syntaxis Grieks overzicht

GRIEKS

Als je het Griekse font nog niet hebt gedownload en geïnstalleerd, doe dat dan eerst hier.

Griekse Grammatica

  1. vormleer: deze behandelt de vormen, verbuiging en vervoeging van de verschillende woordsoorten
  2. syntaxis: deze behandelt het vormen van structuur in zinnen en van zinsverband

stilistica en taaleigen
zie bij vormleer.

Syntaxis per onderdeel

  1. Congruentie
  2. Gebruik lidwoord
  3. Functies naamvallen
    1. Nominativus
    2. Genitivus
    3. Dativus
    4. Accusativus
  4. Gebruik voorzetsels
    1. met genitivus
    2. met dativus
    3. met accusativus
    4. met gen. èn acc.
    5. met gen, dat.. èn acc
  5. Gebruik van de infinitivus
  6. Gebruik van participium
  7. Gebruik van de modi
  8. Tijd en aspect
  9. Vraagzinnen
  10. Bijzinnen
    1. causale
    2. concessieve
    3. conditionele
    4. declaratieve
    5. finale
    6. relatieve
    7. temporele
  11. Ontkenningen