vereiste minimumkennis vormleer in 2017
Vormleer Grieks overzicht

grieks

CvE minimumlijst

CvE minimumlijst

Als je het Griekse font nog niet hebt gedownload en geïnstalleerd, doe dat dan eerst hier.

Griekse Grammatica

  1. vormleer: deze behandelt de vormen, verbuiging en vervoeging van de verschillende woordsoorten
  2. syntaxis: deze behandelt het vormen van structuur in zinnen en van zinsverband
  3. stilistica:
    1. a - c
    2. d - m
    3. n - z

Vormleer per onderdeel

  1. lidwoord
  2. zelfstandig naamwoord
    1. -a / -h stammen
    2. -o stammen
    3. medeklinker stammen
  3. bijvoeglijk naamwoorden
    1. -o / -a stammen
    2. medeklinker stammen
    3. megaj en poluj
  4. trappen van vergelijking
  5. bijwoorden
    1. correlativa
  6. telwoorden
  7. voornaamwoorden
    1. aanwijzende
    2. onbepaalde
    3. vragende
    4. persoonlijke
    5. bezittelijke
    6. betrekkelijke
    7. wederkerende
    8. corresponderende
    9. indirect reflexiva
  8. werkwoorden
    1. luw Act.
    2. luw Med.
    3. luw Pas.
    4. contracta A
    5. contracta M/P
    6. athematisch. A
    7. athematisch. M
    8. athematisch. P
    9. e„m… en emi
  9. stamtijden compl.
    1. onr. aoristi
    2. onr. futura
    3. onr. perfecta

     

 

 

De CvE-minimumlijst vormt het uitgangspunt bij de op het centrale examen gestelde vragen
en bij de annotatie van de ongeziene authentieke tekst.

De CvE gaat ervan uit dat de kandidaten vertrouwd zijn met volgende stilistische en narratologische begrippen.

Stilistica Grieks d - m

N.B. Wanneer in eindexamenvragen het begrip tekstelement wordt gehanteerd, dan wordt daarmee bedoeld een woord, een woordgroep,
een bijzin of een zin.

Enallagè of hypallagè
Hierbij laat de auteur een bijvoeglijk naamwoord grammaticaal bij een bepaald woord horen, terwijl het inhoudelijk beter bij een ander woord in de zin past.


neikoj ¢ndrwn xunaimon

een verwante ruzie van mannen = een ruzie onder verwante mannen
(Sophocles, Antigone, 793/794)

Eufemisme
De weergave van een negatief beladen begrip door een verzachtende aanduiding

inslapen (= sterven)

..........................™moi de ke kerdion e„h
seu ¢famartousV cqona dumenai:
                    maar voor mij zou het (wel) beter zijn
om, als ik jou verloren heb,
onder de grond te duiken. (= sterven)
(Homerus, Ilias VI 410-1)


`Umeij de mhter' oÙket' Ñmmasin filoij
Ñyesq', ™j ¢llo schm' ¢postantej biou.
Jullie zullen jullie moeder niet meer met jullie lieve ogen
zien,
wanneer jullie zijn weggegaan naar een andere fase van het leven. (= wanneer jullie dood zijn)
(Euripides, Medea 1038-1039)

Hyperbaton
De uiteenplaatsing van woorden die een grammaticale eenheid vormen; die eenheid wordt onderbroken door een tektselement
dat niet tot die woordgroep behoort.

polla d' Ð g' ™n pontJ paqen ¢lgea Ðn kata qumon
(en) hij leed veel
veel smarten/verdriet op zee in zijn hart
(Homerus, Odyssee 1, 4)

N.B. In collocaties als
ceiraj ™p' ¢ndrofonouj ("naar de mannendodende handen", Homerus, Ilias XVIII, 317) en
knhmidaj ™pisfurioij ¢raruiaj ("aan enkelbanden bevestigde scheenplaten, Homerus, Ilias XVIII, 459)
is geen sprake van hyperbaton. De onderbrekende elementen (
™p', ™pisfurioij) maken namelijk deel uit van de woordgroep.

Litotes
De ontkenning van een begrip waardoor het tegendeel benadrukt wordt.

Daar ben ik niet vies van (= Dat vind ik héél lekker!)

Poiewn te tauta ™painon e„ce oÙk Ñligon proj twn polihtewn,
Door dat te doen had ik een niet geringe (= heel grote) lof van de kant van mijn medeburgers
(Herodotus, Historiae 1, 96)

Metafoor
Vorm van beeldspraak waarbij alleen het beeld wordt genoemd (dus zonder "als", "zoals", "gelijk aan" etc.)

.............................................™j de thn tuchn
pesous' Ðshn su, pîj ¢n ™kneusai dokeij;
.
wanneer je in een zo groot ongeluk terchtgekomen bent als jij,
hoe denk je dan
eruit te kunnen zwemmen (= je eruit te redden)?
(Euripides, Hippolytus 469-70 )

Metonymia
De vervanging van een woord door een ander woord uit hetzelfde betekenisveld.

  • abstractum pro concreto
    een abstract in plaats van een concreet begrip.

    EÙforboj, Ðj ¹likihn ™kekasto
    Euphorbus, die uitblonk onder zijn leeftijd (= leeftijdgenoten)
    (Homerus, Ilias, XVI 808)
  • naam van een god(in) in plaats van zijn/haar invloedssfeer

    splagcna d' ¢r' ¢mpeirantej Øpeirecon `Hfaistoio.
    na dan de ingewandstukken aan het spit geregen te hebben hielden ze deze boven Hephaestus (= het vuur).
    (Homerus, Ilias II 426)
  • materiaal in plaats van voorwerp

                                              mh tij (.....)
    calkon ™ni sthqessi balwn ™k qumon ˜loito.
    om te voorkomen , dat iemand
    hem het leven zou benemen door brons ( = bronzen speer/zwaard) in zijn borst te steken.
    (Homerus, Ilias V 316 / 317)
  • pars pro toto
    een deel in plaats van het geheel.

                                            ¡pasa de
    stegh puknoisin ™ktupei dramhmasin.
    en heel het dak (= huis) dreunde van het drukke lopen.
    (Euripides, Medea 1179-1180)