vereiste minimumkennis vormleer in 2018

Het gebruik van het participium

Alle participia, behalve die van het futurum, drukken in de eerste plaats het aspect uit, daarnaast drukken zij een relatieve tijd ten opzichte van het hoofdwerkwoord uit!

( Als je niet weet om welk participium of welke naamval het gaat klik hier.)

Ga eerst na met welk aspect en relatieve tijd je te maken hebt, de participia kunnen de onderstaande aspecten of relatieve tijden uitdrukken:
  • part. praes.:
    • aspect: duratief (soms conatief)
    • relatieve tijd: meestal gelijktijdig
  • part. aoristus:
    • aspect: punctueel; denk ook aan ingressief
    • relatieve tijd: meestal voortijdig, soms ook gelijktijdig
  • part. perf.:
    • aspect: ingetreden toestand of resultaat van een handeling
    • relatieve tijd: de (eerder ingetreden) toestand of het resultaat is gelijktijdig !!
  • part. futurum:
    • met of zonder æj betekent altijd 'om te'

Als je een participium in de tekst tegenkomt moet je ook nog , voordat je het gaat vertalen,
de volgende stappen ondernemen:

  • Nagaan is het een part. futurum, zonder æj erbij?
    • dan is het altijd te vertalen met: "om te", soms ook met "zullende".
    • met æj erbij: wordt er een subjectief iets aan toegevoegd: "(met het voornemen/gedachte) om te"
  • Is het geen part. futurum, ga dan de volgende punten na:
  1. er staat een lidwoord direct voor het ptcp: dan kun je het als volgt vertalen: (NB: Homeros kent nog geen lidwoord voor, dus bij hem bestaat het verschil tussen met en zonder lidwoord nog niet!)
    • letterlijk
      • oƒ parontej xenoi = de aanwezige vreemdelingen (of als onder 3.)
    • als zelfstandig naamwoord
      • ta prosqen eƒrhmena = de eerdere woorden (Med 64) (of als onder 3.)
    • als betrekkelijke bijzin (dit is altijd goed als lidwoord ervoor staat)
      • ta prosqen eƒrhmena = de dingen die eerder gezegd zijn (Med. 64)
      • oƒ parontej xenoi = de vreemdelingen die aanwezig zijn/waren

  2. er staat geen lidwoord direct voor maar congrueert met een woord dat geen lidwoord heeft, dan kun je het op twee manieren vertalen:
    • met betrekkelijke bijzin
      • ta men .... ta de .....¢podecqenta = de dingen die deels .... deels.....verricht zijn (Her. I,8)
      • Gughj ......¢reskomenoj malista = Gyges,....,die het meest bij hem in de smaak viel (Her. I,8)
    • of als hieronder met bijwoordelijke bijzinnen of als aanvulling bij werkwoorden: in alle andere gevallen zonder lidwoord er direct voor mag je het niet met een betrekkelijke bijzin vertalen!
    • Hierbij zijn er drie mogelijkheden:
    • het participium staat in de gen. bij een woord in de gen. kijk dan bij genitivus absolutus
    • In alle naamvallen kan het een aanvulling bij werkwoorden zijn: In het Grieks heb je dus niet allkeen een accusativus           cum participio, maar ook een nominativus, genitivus en dativus cum participio!
      • Bij werkwoorden van "waarneming" als Ðraw (zien), ¢kouw (horen), a„sqanomai (bemerken) en punqanomai (vernemen).
        • 'Hkousa tinoj legontoj (gen.) = ik hoorde iemand zeggen (Med. 67)
        • e„domen aÙtÕn pinonta (acc.) = we zagen hem drinken
      • Bij werkwoorden van "weten" en "inzien", als o„da en ™pistamai (weten), gignwskw (leren kennen, inzien) etc
        • o„da qnhtoj çn (nom) = ik weet dat ik sterfelijk ben.
        • Let op: fainomai + partic. = blijken maar fainomai + inf. = schijnen, lijken
      • Bij werkwoorden die een emotie uitdrukken, als a„scunomai (zich schamen), ¹domai(blij zijn), ¢cqomai (zich ergeren) etc.
        • ¹detai moi eÙ prattonti (dat.) = hij is blij dat het goed gaat met mij
        • taut' 'Iaswn paidaj ™xanexetai / pascontaj (acc) = zal Iason toestaan dat zijn kindere dat ondergaan (Med. 74/75)

      • Bij "proces aanduidende" werkwoorden: participium als aanvulling in nominativus; bv: ¢rcomai (beginnen), lanqanw (onopgemerkt blijven, ongemerkt), pauomai (ophouden), tugcanw (toevallig zijn ,toevallig)
    • in alle naamvallen kan het predikatief gebruikt zijn: : d.w.z. als bijzin van tijd, reden/oorzaak, toegeving, voorwaarde, "door te" (*hota-zin)
      • bijzin van tijd: "terwijl", "toen", "nadat", "wanneer"
        • thnd' ¢gousan ™rhmian (ptcp pr)= (terwijl je deze eenzaamheid leidt) = terwijl je hier alleen bent (Med. 50)
        • xumfora ta despotwn / kakwj pitnonta (ptcp pr)= de lotgevallen van de meesters wanneer ze slecht uitvallen (Med 54/55)
        • pessouj proselqwn (ptcp aor) = nadat ik naar de damplaats gegaan was (Med. 68)
          .
      • bijzin van reden/oorzaak: "omdat", "doordat" , ptcp eventueel versterkt met ¡te (objectieve reden) of æj (subjectieve reden)

      • bijzin van toegeving: "hoewel", "ofschoon", "ook al", vaak voorafgegaan door (kai)per of kai

      • bijzin van voorwaarde: "als", ontkenning is mh. + ptcp. = "als niet", "indien niet"

      • de manier waarop: "door te"

  • Bijzonderheden:
    • Simpele vertalingen
      • :™cwn = hebbend = "met"
      • ferwn = dragend = "met"
      • labwn = genomen hebbend = "met"
    • Participium met oÙk of andere ontkennend begrip ervoor: = "zonder"
  • * hota-zin dwz vertalen met één van de onderstaande bijzinnen:
  • concessief (toegeving): hoewel .....
  • causaal (redegevend): omdat ....
  • temporeel (van tijd): toen, terwijl, wanneer, nadat ....
  • anders
    • conditioneel (voorwaardelijk): als, indien
    • vertalen met "door te.."....
 
 
 
 
 
 

CvTE minimumlijst

Syntaxis Grieks overzicht

GRIEKS

Als je het Griekse font nog niet hebt gedownload en geïnstalleerd, doe dat dan eerst hier.

Griekse Grammatica

  1. vormleer: deze behandelt de vormen, verbuiging en vervoeging van de verschillende woordsoorten
  2. syntaxis: deze behandelt het vormen van structuur in zinnen en van zinsverband

stilistica en taaleigen
zie bij vormleer.

Syntaxis per onderdeel

  1. Congruentie
  2. Gebruik lidwoord
  3. Functies naamvallen
    1. Nominativus
    2. Genitivus
    3. Dativus
    4. Accusativus
  4. Gebruik voorzetsels
    1. met genitivus
    2. met dativus
    3. met accusativus
    4. met gen. èn acc.
    5. met gen, dat.. èn acc
  5. Gebruik van de infinitivus
  6. Gebruik van participium
  7. Gebruik van de modi
  8. Tijd en aspect
  9. Vraagzinnen
  10. Bijzinnen
    1. causale
    2. concessieve
    3. conditionele
    4. declaratieve
    5. finale
    6. relatieve
    7. temporele
  11. Ontkenningen