vereiste minimumkennis vormleer in 2018

Relatieve/Betrekkelijke bijzinnen

  • Relatieve bijzinnen worden ingeleid door betrekkelijk voornaamwoord of bijwoord o.a.:
    • Ðj, ¹, Ð = bepaald betr. vnw. (dwz. het is duidelijk wie/wat de spreker bedoelt/in gedachten heeft)
    • Ðstij = onbepaald betr. vnw. (dwz. het is niet duidelijk wie/wat de spreker bedoelt/in gedachten heeft, een willekeurig iemand/iets, wie/wat hij/het ook is)
    • de relatieve adverbia correlativa

     

  • Relatieve bijzinnen zijn onder te verdelen in twee groepen:
    • terugverwijzende: dwz bijzinnen die terugverwijzen naar een antecedent: het betrekkelijk voornaamwoord heeft hetzelfde geslacht en getal als het antecedent (woord waar het naar verwijst), maar de naamval wordt bepaald door de functie die het heeft in de bijzin. Er zijn twee soorten betrekkelijke bijzinnen:
      • bepaalde betrekkelijke bijzinnen:
      voorbeelden:
      • Ð ¢nhr Ðj ™poihse touto ™kolasqh = de man die dat gedaan heeft werd gestraft (het is duidelijk wie de spreker op het oog heeft)
      • onbepaalde betrekkelijke bijzinnen:
        voorbeelden:
        • Ð ¢nhr Ðstij ™poihse touto kolasqhsetai = de man (wie hij ook is) die dat gedaan heeft zal gestraft worden (de spreker heeft niet een bepaald iemand op het oog)
    "autonome": dwz. bijzinnen zonder antecedent, , hierbij weer twee soorten:
      • "met ingesloten antecedent": het antecedent is niet gegeven, maar kan slechts worden opgemaakt uit de bijzin,
        • voorbeelden:
          • poiein ¡ oØtoj nuni poiei (¡ = tauta, ¡) = te doen wat (de dingen, die) hij nu doet (Plato, Apol. 30d3)

      • "met ingesloten antecedent en attractie ": het antecedent is niet gegeven, maar kan slechts worden opgemaakt uit de bijzin en neemt de naamval over van het impliciete antecedent, in plaats van de naamval van de functie die het in de bijzin vervult.
        • voorbeelden:
          • ¢ll' ™mmeinate moi oƒj (= toutoij, ¡ of æn) = maar houd u alsjeblieft aan de dingen die ik van jullie gevraagd heb (Plato Apol. 30c3)

  • Relatieve aansluiting: als in het Grieks een nieuwe zin (dwz. na . ; : of ?) met een relativum begint, moet dit in het Ned. vertaald worden door een aanwijzend of persoonlijk voornaamwoord, eventueel voorafgegaan door een van de woordjes "en, maar, want" om zo het nauwere verband met de voorafgaande zin tot uitdrukking te brengen.
    • Voorbeelden:
  • Bijzonderheden:
    • pantej Ðsoi = allen, die
    • pantej Ðposoi = allen (wie ze ook maar zijn), die
    • Ðsoi, Ðposoi in autonome relatieve bijzinnen meestal oook: "allen die"
    • e„sin oƒ, ™stin oƒ = (er zijn er die) = sommigen
 
 
 
 
 

CvTE minimumlijst

Syntaxis Grieks overzicht

GRIEKS

Als je het Griekse font nog niet hebt gedownload en geïnstalleerd, doe dat dan eerst hier.

Griekse Grammatica

  1. vormleer: deze behandelt de vormen, verbuiging en vervoeging van de verschillende woordsoorten
  2. syntaxis: deze behandelt het vormen van structuur in zinnen en van zinsverband

stilistica en taaleigen
zie bij vormleer.

Syntaxis per onderdeel

  1. Congruentie
  2. Gebruik lidwoord
  3. Functies naamvallen
    1. Nominativus
    2. Genitivus
    3. Dativus
    4. Accusativus
  4. Gebruik voorzetsels
    1. met genitivus
    2. met dativus
    3. met accusativus
    4. met gen. èn acc.
    5. met gen, dat.. èn acc
  5. Gebruik van de infinitivus
  6. Gebruik van participium
  7. Gebruik van de modi
  8. Tijd en aspect
  9. Vraagzinnen
  10. Bijzinnen
    1. causale
    2. concessieve
    3. conditionele
    4. declaratieve
    5. finale
    6. relatieve
    7. temporele
  11. Ontkenningen