vereiste minimumkennis vormleer in 2018

Vormleer Grieks overzicht

grieks

CvTE minimumlijst

Als je het Griekse font nog niet hebt gedownload en geïnstalleerd, doe dat dan eerst hier.

Griekse Grammatica

  1. vormleer: deze behandelt de vormen, verbuiging en vervoeging van de verschillende woordsoorten
  2. syntaxis: deze behandelt het vormen van structuur in zinnen en van zinsverband
  3. stilistica:
    1. a - c
    2. d - m
    3. n - z
    4. stilistica Homerus
    5. narratologie
    6. taaleigen Homerus
      1. algemeen
      2. naamwoorden
      3. werkwoorden
      4. voornaamw.
      5. syntaxis
    7. metriek
    8. scanderen

Vormleer per onderdeel

  1. lidwoord
  2. zelfstandig naamwoord
    1. -a / -h stammen
    2. -o stammen
    3. medeklinker stammen
  3. bijvoeglijk naamwoorden
    1. -o / -a stammen
    2. medeklinker stammen
    3. megaj en poluj
  4. trappen van vergelijking
  5. bijwoorden
    1. correlativa
  6. telwoorden
  7. voornaamwoorden
    1. aanwijzende
    2. onbepaalde
    3. vragende
    4. persoonlijke
    5. bezittelijke
    6. betrekkelijke
    7. wederkerende
    8. corresponderende
    9. indirect reflexiva
  8. werkwoorden
    1. luw Act.
    2. luw Med.
    3. luw Pas.
    4. contracta A
    5. contracta M/P
    6. athematisch. A
    7. athematisch. M
    8. athematisch. P
    9. e„m… en emi
  9. stamtijden compl.
    1. onr. aoristi
    2. onr. futura
    3. onr. perfecta

     

 

 

De CvTE-minimumlijst vormt het uitgangspunt bij de op het centrale examen gestelde vragen
en bij de annotatie van de ongeziene authentieke tekst.

De CvTE gaat ervan uit dat de kandidaten vertrouwd zijn met volgende stilistische en narratologische begrippen.

Vergelijking
Vorm van beeldspraak waarbij afgebeelde en beeld beide worden genoemd (dus met: als, zoals, gelijk aan)

1 afgebeelde (= persoon/zaak die vergeleken wordt)

2 beeld (= persoon/zaak waarmee vergeleken wordt)

3 punt van overeenkomst (= het aspect waarin afgebeelde en beeld overeenkomen)

hij is zo rood als een kreeft

dakrua qerma cewn éj te krhnh melanudroj,
¹ te kat' a„gilipoj petrhj dnoferon ceei Ødwr.

(Patroclus...,) warme tranen vergietend zoals een bron met donker water,
die van een steile rots donker water laat stromen.
(Homerus, Ilias XVI, 3-4)

1. de afgebeelde = Patroclus 2. het beeld = de bron op een steile rots 3. het van bovenaf neerstromen van water/tranen

Woordplaatsing aan het begin / einde van een regel / zin:
woorden voor- of achteraan een zin of regel krijgen nadruk (Let ook op of er soms enjambement is!)

Mhnin ¢eide, qea ... (De wrok bezing, godin...)
(Homerus Ilias, I, 1)
N.B: Het woord op eerste plaats van een heel epos krijgt niet alleen de nadruk, maar geeft ook aan wat het onderwerp is van het epos. Hier dus de wrok en niet de Trojaanse oorlog!)

'Andra moi ™nnepe, Mousa ... (De man bezing mij, Muze, ....)
(Homerus Odyssee 1, 1)
N.B: Het woord op eerste plaats van een heel epos krijgt niet alleen de nadruk, maar geeft ook aan wat het onderwerp is van het epos. Hier dus de man en niet de Trojaanse oorlog!)

'AtreŽdhj te, ¢nax ¢ndrwn, kai d‹oj 'Acilleuj.

(Homerus Ilias, I, 7)
Vertaling: Atreus' zoon, heerser over mannen, en de stralende Achilles
Door de plaatsing vooraan én achteraan worden de beiden om wie het gaat uiteengeplaatst en tegenover elkaar gezet.