vereiste minimumkennis vormleer in 2018

Voorzetsels met genitivus

  • ¢nti , ¢nt' , ¢nq' + gen.
    • in ruil voor, in plaats van, ter vergelding van
    • in samenstellingen: tegen, wederkerig
  • ¢po , ¢p' , ¢f' + gen.
    • van(af) , van .... weg, sinds
      • ¢po tou qronou = van de zetel weg (Her. I,9)
    • overdrachtelijk:
    • in samenstellingen: af, weg, terug
  • ™k , ™x + gen.
    • uit; sinds; ten gevolge van, door toedoen van
      • ™x ¢nqrwpwn = door toedoen van mensen (Her. I,8)
      • ™x aÙtîn kakon ginetai = daaruit kwaad ontstaat (Her. I,9)
      • ™x aÙtÁj ginetai blaboj = door haar toedoen schade ontstaat (Her. I,9)
      • to poihqen ™k tou ¢ndroj = dat wat door toedoen van haar man gedaan was (Her.I,10)
      • ™k tou aÙtou men cwriou = (van)uit dezelfde plek (Her.I,11)
      • ™kratunqh ™k tou .. crhsthriou = werd bekrachtigd door (toedoen van) het orakel (Her.I,13)
    • overdrachtelijk:
    • in samenstellingen: uit, geheel
  • pro + gen.
    • vóór
    • overdrachtelijk:
    • in samenstelligen: voort-, vooraan, te voren, ter verdediging van
  • enkele minder voorkomende:
    • ¢neu + gen. = zonder
    • ™gguj + gen. = dichtbij
    • ˜neka , oØneka achter een woord in de gen. = wegens (bij Herodotos : eƒneken)
      • aÙtîn ..toutwn kai thj qewrihj .. eƒneken precies/juist wegens die dingen en wetenschappelijke interesse (Her.I,30)
    • plhn + gen. = behalve
    • carin + gen. achter een woord = terwillen van
 
 
 
 

CvTE minimumlijst

Syntaxis Grieks overzicht

GRIEKS

Als je het Griekse font nog niet hebt gedownload en geïnstalleerd, doe dat dan eerst hier.

Griekse Grammatica

  1. vormleer: deze behandelt de vormen, verbuiging en vervoeging van de verschillende woordsoorten
  2. syntaxis: deze behandelt het vormen van structuur in zinnen en van zinsverband

stilistica en taaleigen
zie bij vormleer.

Syntaxis per onderdeel

  1. Congruentie
  2. Gebruik lidwoord
  3. Functies naamvallen
    1. Nominativus
    2. Genitivus
    3. Dativus
    4. Accusativus
  4. Gebruik voorzetsels
    1. met genitivus
    2. met dativus
    3. met accusativus
    4. met gen. èn acc.
    5. met gen, dat.. èn acc
  5. Gebruik van de infinitivus
  6. Gebruik van participium
  7. Gebruik van de modi
  8. Tijd en aspect
  9. Vraagzinnen
  10. Bijzinnen
    1. causale
    2. concessieve
    3. conditionele
    4. declaratieve
    5. finale
    6. relatieve
    7. temporele
  11. Ontkenningen