vereiste minimumkennis vormleer in 2019

Congruentie

Congruentie/congrueren met is het verschijnsel dat woorden of woordgroepen kenmerken van andere woorden of woordgroepen overnemen. Het gaat hierbij om één of meer van de volgende kenmerken:

  • het getal d.w.z. enkelvoud en meervoud
  • het geslacht
  • de naamval

Congruentieregels bepalen of er en zo ja welke kenmerken zich aanpassen om overeen te komen:

Congruentieregels voor:
  • onderwerp en gezegde
    • het gezegde komt in getal overeen met het onderwerp.
    • NB: is het onderwerp onzijdig meervoud dan staat het gezegde gewoonlijk in het enkelvoud
      • ta qhria feugei = de dieren vluchten
      • Ta men ...... ¢pergei, ta de ....... ™kdeketai = De dingen die.... begrenzen, maar de dingen die ... grenzen aan
        (Herodotus, 1.204, 1-2)
  • onderwerp en naamwoordelijk deel van het gezegde
    • het naamwoordelijk deel van het gezegde past zich (zoveel mogelijk) in geslacht, getal en naamval aan aan het onderwerp:
      • aƒ òdai kalai ºsan = de liederen waren mooi
    • het naamwoordelijk deel van het gezegde heeft geen lidwoord!
      • nux ¹ ¹mera ™geneto = de dag werd nacht
      • ¹mera ¹ nux ™geneto = de nacht werd dag
    • is het onderwerp onzijdig meervoud dan staat het naamwoordelijk deel in het meervoud , maar het gezegde in het enkelvoud:
      • ta dwra kala ™stin = de geschenken zijn mooi
  • bijvoeglijk naamwoord / bijvoeglijke bepaling en zelfstandig naamwoord
    • een bijvoeglijk naamwoord of bijvoeglijke bepaling past zich in geslacht, getal en naamval aan aan het zelfstandig naamwoord
    • een bijvoeglijk naamwoord of bijvoeglijke bepaling staat, als het zelfstandig naamwoord een lidwoord bij zich heeft, ofwel tussen het lidwoord en het zelfstandig naamwoord ofwel na het zelfstandig naamword met herhaling van het lidwoord.
      • Ð dikaioj ¢nhr of Ð ¢nhr Ð dikaioj = de rechtvaardige man
      • Ð twn 'Aqhnaiwn dhmoj of Ð dhmoj Ð twn 'Aqhnaiwn = het volk van de Atheners
      • oƒ ™n tV polei ¢nqrwpoi trecousin of oƒ ¢nqrwpoi oƒ ™n tV polei trecousin = de mensen in de stad rennen. (niet: de mensen rennen in de stad!!)
      • Ð nun basileuj = de huidige koning
  • zelfstandig naamword en bijstelling
    • een bijstelling komt zoveel mogelijk in geslacht en getal overeen met het zelfstandig naamwoord, waarbij hij geplaatst is:
      • Qoukudidhj 'Aqhnaioj xunegraye... = Thoukydides, de Athener/uit Athene heeft geschreven....
      • NB: met lidwoord: Qoukudidhj Ð 'Aqhnaioj xunegraye... = Thoukydides, de - (bij de lezer) bekende Athener heeft geschreven....
    • de bijstelling bij een persoonlijk voornaamwoord wordt voorafgegaan door het lidwoord
      • ¹meij oƒ 'Aqhnaioi = wij Atheners
  • predicatieve bepaling en het bepaalde
      • Een predicatieve bepaling past zin in geslacht, getal en naamval aan dat wat hij nader bepaalt
      • evenals het naamwoordelijk deel van het gezegde geen lidwoord
        • Ð kubernhthj Østatoj thn naun katelipen = de stuurman verliet als laatste het schip
      • bij werkwoorden met "dubbele accusativus":
        • aƒrountai aÙtÕn strathgon = zij verkozen hem tot strateeg
        • Kuroj strathgoj ¡podeiknutai = Kyros wordt benoemd tot aanvoerder
  • voornaamwoordelijk onderwerp en naamwoordelijk deel van het gezegde
    • is het onderwerp een aanwijzend, betrekkelijk of vragend voornaamwoord dan past het naamwoordelijk deel van het gezegde zich daaraan aan in geslacht, getal en naamval (in het Ned. het voornaamwoord onzijdig vertalen!)
      • aØth ¢noia ™stin = dat is dwaasheid
  • antecedent en betrekkelijk voornaamwoord:
    • een betrekkelijk voornaamwoord past zich in geslacht en getal aan aan het antecedent (het woord waar het op terugslaat), maar de naamval ervan wordt bepaald door de functie die het heeft in de betrekkelijke bijzin
      • metepemyato Dhmaraton, Ój ™strateueto = hij ontbood Demaratus, die aan de veldtocht deelnam.
 
 
 
 
 
 
 
 
 

CvTE minimumlijst

Syntaxis Grieks overzicht

GRIEKS

Als je het Griekse font nog niet hebt gedownload en geïnstalleerd, doe dat dan eerst hier.

Griekse Grammatica

  1. vormleer: deze behandelt de vormen, verbuiging en vervoeging van de verschillende woordsoorten
  2. syntaxis: deze behandelt het vormen van structuur in zinnen en van zinsverband

stilistica en taaleigen
zie bij vormleer.

Syntaxis per onderdeel

  1. Congruentie
  2. Gebruik lidwoord
  3. Functies naamvallen
    1. Nominativus
    2. Genitivus
    3. Dativus
    4. Accusativus
  4. Gebruik voorzetsels
    1. met genitivus
    2. met dativus
    3. met accusativus
    4. met gen. èn acc.
    5. met gen, dat.. èn acc
  5. Gebruik van de infinitivus
  6. Gebruik van participium
  7. Gebruik van de modi
  8. Tijd en aspect
  9. Vraagzinnen
  10. Bijzinnen
    1. causale
    2. concessieve
    3. conditionele
    4. declaratieve
    5. finale
    6. relatieve
    7. temporele
  11. Ontkenningen