praesens/imperfectum activum e„mi = zijn


 

INDIC

ATIVUS

e„m…
zijn  

 

praesens

imperfectum

CONIUNC

OPTA

IMPERA

INFINITIVUS

1.ev

e„m…

Ã(n)

ç

e„hn

 

e„nai

2.ev

e, (e„j)

Ãsqa

Æj

e„hj

‡sqi

te zijn

3.ev

™st…(n)

Ãn

Æ

e„h

 

PARTICIPIUM

1.mv

™smšn

Ãmen

çmen

e„men

 

çn, Ñntoj

2.mv

™stš

Ãte

ºte

e„te

œste

oÙsa

3.mv

e„s…(n)

Ãsan

çsi(n)

e„en

 

Ñn, Ñntoj

 

ik ben

ik was

laat ik zijn

moge ik zijn

wees !

zijnde

Afwijkende vormen Homerus zie hier!

gebruik inf.
™sti(n) = zijn (als koppelww)   verbuiging ptcp

œstin = 1) bestaan, er zijn
                 2) het is mogelijk (= ™xestin)
  vertaling ptcp

onregelmatige stamtijden


Let op: het futurum van e„mi = ™somai; 3e p. ev: ™stai.
Tijd "praesens"
  • "praesens"
    • indicativus praesentis drukt tegenwoordige tijd uit
    • indicativus imperfecti drukt verleden tijd uit
    • andere modi drukken zich geen tijd uit of geven gelijktijdigheid aan
Aspect "praesens"
  • "praesens" aspect "niet afgesloten"
    • handeling/gebeurtenis/proces is/was nog aan de gang
    • beschrijving van situatie
    • de conatu: "proberen"; uit de tekst blijkt dat het beschrevene nog niet bereikt is/was