Nausikaä Homeros Odyssee VI, 48 - 84

werkvertaling

Toelichting: Bij de werkvertaling heb ik zo letterlijk mogelijk vertaald, bovendien heb ik zoveel mogelijk geprobeerd de woorden die de nadruk hebben door hun plaatsing (vooraan of achteraan een vers) op die plaats te laten staan, om zo het effect, dat Homeros beoogde, ook in het Nederlands uit te laten komen, ook al leverde dit wat krom Nederlands op.


50

(5)


55

(10)


60

(15)


65

(20)


70

(25)


75

(30)


80

(35)



Meteen kwam Eoos, op mooie troon gezeten, die haar wekte,
Nausikaä, met mooie peplos: terstond verwonderde zij zich over de droom.
Zij ging op weg door het paleis, om (het) te vertellen aan (haar) ouders,
(haar) dierbare vader en moeder: ze trof hen binnen (zijnde) aan.
Zij (haar moeder) zat bij de haard, samen met haar vrouwelijke dienaressen,
ijverig draaiend de tintelend witte wol aan het spinrokken, hem (haar vader)
kwam zij tegen, terwijl hij naar de deur ging, naar de beroemde koningen,
naar de vergadering, waarheen de fiere Phaiaken hem riepen.
Zij, nadat zij heel dichtbij hem was gaan staan, zei tegen haar dierbare vader:
"Lieve papa, zou jij dan niet voor mij gereed kunnen maken een wagen,
een hoge, met goede wielen, opdat mijn vermaarde kleren breng (voor mij)
naar de rivier om ze te wassen, die mij vuil (terneer) liggen?
Ook voor uzelf is het gepast, wanneer u te midden van de voornaamsten bent,
te beraadslagen met/hebbende schone kleren aan uw lichaam/huid.
Vijf dierbare zonen zijn er voor u (geboren) in het paleis,
twee, die getrouwd zijn, en drie nog ongehuwd in de bloei van hun jeugd:
zij willen altijd met/hebbende pas gewassen kleren (aan)
naar de dansplaats gaan; om al die dingen bekommer ik mij in mijn hart."
Zo sprak zij, want zij schaamde zich ervoor het bloeiende huwelijk met name te noemen
aan haar dierbare vader; maar hij doorzag alles en antwoordde met de woord(en):
"Noch misgun ik jou de muilezels, noch iets anders.
Ga (maar); en de dienaren zullen voor jou gereed maken een wagen,
een hoge, met goede wielen, goed voorzien van een wagenbak."
Na zo gesproken te hebben, had hij de dienaren bevolen, en zij gehoorzaamden.
Zij dan brachten buiten een goedlopende muilezelwagen
in gereedheid, leidden de muilezels onder het juk en spanden ze in onder de wagen.
Het meisje bracht uit de slaapkamer de schitterende kleren,
en legde ze neer in de goedgeschaafde wagen;
haar moeder deed in een mand overvloedig voedsel
van allerlei soort, ze legde er toespijzen bij en wijn goot zij in
een geitenleren zak - het meisje besteeg (intussen) de wagen -,
en zij gaf in een gouden flesje smijdige/vloeibare olijfolie,
opdat zij zich zalfde met (behulp van) haar vrouwelijke dienaressen.
Zij nam de zweep en de schtitterende teugels,
en sloeg met de zweep om ze voort te drijven: en er was getrappel van de muilezels
die draafden ijverig en vervoerden de kleren en haarzelf,
niet alleen: met haar mee gingen ook de anderen, de dienaressen, te voet.

N.B. de nummering ( ) is die in Pallas III.