Het Griekse adverbium (bijwoord)
Een bijwoord zegt iets van een werkwoord, een bijvoeglijk naamwoord of een ander bijwoord. ( de woorden tussen haakjes behoren niet tot de basiswoorden)
  • gevormd van bijvoeglijke naamwoorden met de uitgang -wj
    • ¢lhq(e)wj = werkelijk, echt, naar waarheid
    • kakwj = slecht
    • kalwj = mooi
    • Ðmîj = op gelijke wijze
    • oØtw(j) = zó, op die manier
  • de acc. onzijdig gebruikt als bijwoord
    • bij comparativi acc. sg. N.:
      • qasson = snel(ler)
      • mallon = (+ gen. of º ) meer (dan)
      • proteron = vroeger
    • bij superlativi acc. pl. N:
      • kallista = zeer mooi (Her. I,30)
      • malista = zeer veel, het meest
    • in positivus: acc. sg. of pl. N.
      • mega = zeer, luid
      • pan, to parapan = geheel en al
      • panta = in alle opzichten
      • polla = veel
      • teloj = tenslotte
  • onregelmatige, bijzondere of andere
    • aÙtika = meteen, direkt
    • ¢kewn = tegen mijn zin
    • a„ya = snel
    • e„sw = naar binnen, binnen
    • ™ndon = binnen
    • ™xw = naar buiten, buiten
    • = goed
    • ºdh = reeds, al
    • mala = zeer, erg
    • meta de = (en) daarna
    • nun = nu
    • tote = toen, op dat moment
    • proterw = verder
  • accusativus adverbialis (voorloper van het gebruik van de acc. als adverbium)