Adverbia correlativa

geven aan:
Interrogativa
Indefinita
Relativa
Demonstrativa
1. plaats (waar) poà; = waarheen? pou = ergens, (dunkt me) oØ, ™nqa = waar
Ðpou = waar (ook)
™nqade = hier
™nqauta = daar
2. plaats (waarheen) po‹; = waarheen? poi = ergens heen oƒ. ™nqa = waarheen
Ðpoi = waarheen (ook)
™nqade = hierheen
™nqauta = daarheen
3. plaats (waarvandaan) pÒqen; = vanwaar? poqen = ergens vandaan Ðqen, ™nqen = vanwaar
Ðpoqen = vanwaar (ook)
™nqende = vanhier
™nqeuten = vandaar
4. plaats (waarlangs) pÍ; = waarlangs? pV = ergens langs Å, Åper = waarlangs
ÐpV = waarlangs (ook)
tVde = hierlangs
tautV = daarlangs
5. tijd pÒte; = wanneer? pote = eens Ðte = wanneer, toen
Ðpote = wanneer (ook)
tote = dan, toen
6. manier, wijze pîj; = hoe? pwj = op de een of andere manier æj, æsper = (zo)als
Ðpwj = hoe (ook)
ïj = zo, op die manier
æde = zo (als volgt)
oØtwj = zo (als voorafgaand)
  aÙtoà = ter plekke, op de plaats zelf      
Voor gebruik van suffixen in dit verband bij Homeros, maar ook Attisch zie hier.