aÙtar, ¢tar

aÙtar duidt een overgang tot iets nieuws aan of de voortzetting van het begonnene : en dan, en, maar dan, maar.

 

  • aÙtar Ð toisin ¢feileto = en hij ontnam hen de .(dwz. het gevolg van het opeten).(Hom. Od. I, 9)

behoort tot de basiswoordjes