Dualis (wordt niet bekend verondersteld, alleen in de gelezen stof)

1e declinatie
2e declinatie
3e declinatie
"twee"
tweevoud bij naamwoorden
nom. / acc. maca doulw ¢ndre duw
gen. / dat. macain douloin, -oiŽn ¢ndroin, -oiŽn duoin
tweevoud bij werkwoorden
tegenw. tijd Act.
verleden tijd Act.
tegenw. tijd M/P.
verleden tijd M/P.
twee/beide.. lueton .luethn luesqon luesqhn
         
Dualisvormen voorkomende in het pensum Homeros 2003:
¢ndre duw twee mannen (Od. IX, 90; X,102) ƒkesqhn (Od. X. 117)
¢mfw beide (Od. X, 138) ™kgegathn (Od. X. 138)
Ñsse beide ogen (Od. X, 247)    
çmoiin (beide) schouders (Od. X, 262)    
nwŽ wij beiden (Od. X, 333)    
migente ons beiden verenigd hebbend (Od. X, 334)