Gebruik van het lidwoord
Lidwoord in vaste formules
  • Ð de (zonder al eerder men) = en hij, maar hij
  • ¹ de (zonder al eerder men) = en zij, maar zij
    • `O de .... e„pe = Maar hij ....zei
    • `O de .... ºlqe = En hij ....kwam (Her. I,11)
    • `H de .... ™fh = En zij ....zei (Her. I,11)
  • Ð men .... Ð de
    • (als het gaat over de twee personen van het verhaal): hij .... maar/en hij (de ander)
      • Ð men dh legwn .... Ð d' ¢meibeto = Hij (= Gyges) dan door te zeggen ... Maar hij (= Kandaules antwoordde... (Her. I, 9)
      • Ð men dh ºn ˜toimoj .... Ð de Kandaulhj = Hij (= Gyges) was bereid ...En Kandaules ...(Her. I, 10)
    • (algemeen): de een ....de ander
      • Ð men ...dunatwteroj .... Ð de proecei
  • variaties:
    • ¢llo men .... ˜terou de = het een...het ander (Her. I, 32)