Losse woordjes (basiswoorden)
  • ¢ge(te) (dh) = kom op, vooruit
  • ¢ei = altijd, steeds
  • ¢ra = dus, dan, blijkbaar, natuurlijk, zoals je wel begrijpen zult (Her. I,86)
  • aÙte = daarentegen
  • aÙtij = weer, terug
  • aÙtika = meteen, direkt (Her. I,34)
  • ™gguj = dichtbij
  • e„qe = hetzij, ofwel (Her. I,86)
  • ™nqa = waar (betr. vnw.) (Her. I,34)
  • ™nqa = daar, toen (Hom.)
  • ™nqauta = daar, toen (Her. I,87)
  • ™ti = nog (Her. I, 32); maar na een ontkenning = ...meer vergelijk:(Her. I, 34)
  • Ðmou ... kai = zowel .. als (Hom. Od. X, 143)
  • oÙketi niet meer.
  • ™peita = daarna, vervolgens (Her. I,32)
  • ºde = en (Hom)
  • ºdh = al, reeds(Her. I,86;)
  • kaiper = hoewel (+ ptcp) (Her. I,86;)
  • karta = stellig, zeker, vast (Her. I,33;)
  • mentoi = echter (Her. I,36;)
  • nun = nu (Her. I,32;)
  • oÙdamV = nergens heen (Her. I,34)
  • oØtw(j) = zó, op die manier (Her. I,87)
  • palai = vroeger, lang geleden (Her. I,45)
  • palin = weer, opnieuw, terug (Her. I,86)
  • pollakij = dikwijls (Her. I,36)
  • proseti = bovendien (Her. I,41)