paj, pasa, pan alle, elk, geheel

M
F
N
 
enkelvoud
nom. paj pasa pan
gen. pantoj pashj pantoj
dat. panti pasV panti
acc. panta pasan pan
 
meervoud
nom. pantej pasai panta
gen. pantwn paswn pantwn
dat. pasi pasaij pasi
acc. pantaj pasaj panta
i.p.v paj komt ook voor: ¡paj.
NB. Homeros en Herodotos heeft enkele vormen afwijkend van het Attisch:
  • gen. pl. F. op -ewn of -awn
  • dat. pl. F. op -Vsi
  • dat. pl. M/N. : pantessi
paj
  • zonder lidwoord bij paj en nomen: in ev = elk(e) ; in mv. = alle
    • pasa polij of polij pasa = elke stad
    • pasai poleij = alle steden
  • met lidwoord voor paj of nomen: in ev: (ge)heel ; in mv. = alle, al de
    • pasa ¹ polij of ¹ polij pasa = heel de stad, de stad in haar geheel
    • ¹ pasa polij = de hele stad
    • pantej oƒ ¢nqrwpoi of oƒ ¢nqrwpoi pantej = al de mensen
    • oƒ pantej ¢nqrwpoi = de hele mensheid