Bezittelijke voornaamwoorden

™moj, -h, -on= mijn (verbogen als adi. op -oj )
soj, -h, -on =
jouw, uw (verbogen als adi. op -oj )
¹meteroj, -a ( -h bij Her.), -on = onze (verbogen als adi. op -oj )
Ømeteroj, -a ( -h bij Her.), -on = (van) jullie (verbogen als adi. op -oj )
aÙtou, aÙthj, aÙtwn = van hem, van haar, van hen; zijn, haar, hun
™keinou, ™keinhj, ™keinwn = van hem, van haar, van hen; zijn, haar, hun
˜autou, ˜authj, ˜autwn = zijn eigen, haar eigen, hun eigen
Bezittelijke voornaamwoorden: bij Homerus, afwijkende vormen
teoj = soj
Ðj, ™oj = zijn eigen, haar eigen (Latijn: suus)
¢moj, ¡moj = ¹meteroj
Ømoj =Ømeteroj
sfoj, sfeteroj = hun eigen
filoj gebruikt als bez. vnw.
   
   
Voorbeelden:
  • Ðj:
    • Ðn kata qumon = in zijn (eigen) hart (Hom. Od. I, 4)
    • ¹n te yuchn = zijn eigen leven (Hom. Od. I, 5)
    • Å t' ¢locJ kai oƒsi tekessin = (bij) zijn vrouw en zijn kinderen (Hom. Od. X, 61)
  • sfeteroj:
    • aØtîn gar sfeterVsin ¢tasqaliVsin = door hun eigen dwaasheden (van hen). (Hom. Od. I, 7)
  • filoj:
    • para patri filJ = bij hun eigen vader (Hom. Od. X, 8)