studiehulp:
heb je al dit griekse font gedownload en geïnstal-leerd in windows\fonts directory? Zonder dat kun je de Griekse tekst niet lezen!!

herodotos 2002
homeros 2003
euripides2004
homeros 2006
euripides2007

basiskennis
vormleer
syntaxis


stamtijden:
complete lijst
aoristi
futura

perfecta

 

 

vereiste basiskennis
grieks
stamtijden
complete lijst voor CE
  lijst onregelmatige stamtijden grieks bekend verondersteld op CE
(niet opgegeven - of ( ) - vormen zijn regelmatig gevormd of niet bekend verondersteld)
  praesens futurum aoristus

perfectum

betekenis
01 ¢gw (¢xw) ºgagon   leiden, voeren
02 aƒrew (aƒrhsw) eƒlon
Åreqhn
  nemen; (med.) kiezen
03 ¢kouw ¢kousomai (ºkousa) ºkousqhn ¢khkoa horen
04 ¢pallattomai (¢pallaxomai) ¢phllaghn   weggaan, zich verwijderen
05 ¢poqnVskw ¢poqanoumai ¢peqanon teqnhka
(dood zijn)
sterven
06 ¢pollumi
¢pollumai
(¢polî)
¢poloumai
¢pwlesa
¢pwlomhn
¢polwleka
¢polwla (verloren zijn)
te gronde richten, doden te gronde gaan, omkomen
07 ¢fikneomai (¢fixomai) ¢fikomhn ¢figmai aankomen, bereiken
08 bainw bhsomai ™bhn bebhka gaan
09 ballw (balî) ™balon ™blhqhn beblhka werpen, treffen
10 boulomai boulhsomai ™boulhqhn   (graag) willen
11 gignomai genhsomai ™genomhn gegona geboren worden, worden, gebeuren
12 gignwskw (gnwsw) ™gnwn ™gnwsqhn ™gnwka ™gnwsmai inzien, leren kennen
13 dei (impers.)
deomai
dehsei ™dehse ™dehqhn   het is nodig. nodig hebben; vragen, verzoeken
14 (diafqeirw) diafqeiromai (diafqerî) (diefqeira) diefqarhn   (te gronde richten.) te gronde gaan, omkomen
15 didwmi (dwsw) ™dwka   geven
16 dokew dokei (impers.) doxw ™doxa
™doxe
dedoktai menen, schijnen. het schijnt (goed) toe
17 duomai   ™dun   duiken, ondergaan (zon)
18 e„m… ™somai     zijn
19 ™launw   ºlasa   voortdrijven
20 ˜pomai   ˜spomhn   volgen
21 ™rcomai emi
™leusomai
ºlqon ™lhluqa gaan, komen
22 ™rwtaw   ºromhn   vragen
23 ™sqiw   ™fagon   eten
24 eØriskw eØrhsw hØron
hØreqhn
hØrhka vinden
25 ™cw ˜xw schsw ™scon
(ik kreeg)
  hebben, houden
  Øpiscneomai Øposchsomai Øpescomhn   beloven
26 ƒhmi (¹sw) ¹ka   laten gaan, zenden
27 ƒstamai (sthsomai) ™sthn ˜sthka
(staan)
gaan staan, blijven staan
28 kalew kalî ™kalesa ™klhqhn keklhka roepen, noemen
29 lagcanw   ™lacon   (ver)krijgen
30 lambanw lhyomai ™labon ™lhfqhn e„lhfa nemen; krijgen
31 lanqanw   ™laqon   verborgen zijn
  ™pilanqanomai ™pilhsomai     vergeten
32 legw ™rî e„pon
™rrhqhn
e„rhka e„rhmai zeggen, spreken
  sullegw (sullexw) (sunelexa) suneleghn   verzamelen
33 leipw   ™lipon leloipa verlaten, achterlaten
34 mainomai   ™manhn memhna waanzinnig zijn
35 manqanw   ™maqon   leren, kennen, begrijpen
36 mimnhskomai   ™mnhsqhn   zich herinneren
37 o„da e„somai     weten
38 Ñmnumi   çmosa   zweren
39 Ðraw Ñyomai e„don
çfqhn
˜wraka zien
40 pascw peisomai !! ™paqon peponqa lijden, ondervinden
41 peiqomai peisomai !! ™piqomhn pepoiqa (vertrouwen) gehoorzamen, geloven
42 pinw   ™pion   drinken
43 piptw pesoàmai ™peson peptwka vallen
44 punqanomai peusomai ™puqomhn   vernemen, vragen
45 temnw   ™temon   snijden
46 tiqhmi (qhsw) ™qhka
™teqhn
teqhka
keimai
(liggen)
leggen, plaatsen
47 tiktw   ™tekon   voortbrengen, baren
48 trepw   ™trapon ™traphn   wenden, keren, op de vlucht jagen
49 trefw qreyw ™qreya ™trafhn   (op)voeden, grootbrengen
50 trecw   ™dramon   rennen
51 tugcanw teuxomai ™tucon   krijgen, treffen
52 fainomai fanhsomai ™fanhn pefhna schijnen, blijken
53 ferw o„sw ºnegkon ºnecqhn   dragen, brengen
54 feugw feuxomai ™fugon pefeuga vluchten
55 fuomai   ™fun   groeien
56 cairw cairhsw ™carhn   blij zijn, zich verheugen