Temporele bijzinnen

  • Temporele bijzinnen worden ingeleid door o.a.:
    • Ðte, Ðpote, æj = toen, nu, wanneer
    • ™pei, ™peidh = nadat, toen
    • prin = voordat (prin kan ook gevolgd worden door inf.!) voor prin klik hier
  • Temporele bijzinnen kunnen een mededeling bevatten van:
    • één feit:
      • in het heden of verleden: indicativus; ontkenning .
        • voorbeelden:
          • ™pei ™j limena kluton ºlqomen = toen wij in de beroemde haven kwamen/gekomen waren (Hom. Od. X, 87)
      • in de toekomst: coniunctivus pr./aor. + ¢n ,de zgn. coni. futuralis, voor uitleg klik hier.
        • voorbeelden:
          • Ðtan proj o„kouj naustolws' = wanneer zij naar hun huizen zullen terugvaren (Eur. Troi. 77)
          • Ðtan ... ™xiV kalwj = wanneer ....... zal uitvaren (Eur. Troi. 94)
    • een algemeen of zich herhalend feit:
      • in het heden of de toekomst: coniunctivus + ¢n (generalis/iteratief), voor uitleg klik hier.
        • voorbeelden:
          • æj d' Ðt' ¢n ... kunej...sainwsi = zoals wanneer honden ..kwispelen (Hom. X, 216/7)
      • in de verleden: optativus (zonder ¢n!) de zgn. optativus iterativus
        • voorbeelden:
          • Ðt' ™xemeseie ..... ¢ll' Ðt' ¢nabroxeie = telkens wanneer zij uitspuwde .... maar telkens wanneer zij opslurpte (Hom. Od. XII, 237 + 240)