Pronomina correlativa

geven aan:
Interrogativa (p-)
Demonstrativa (t-)
Relativa (`-)
1. hoedanigheid poioj; = hoedanig?
toiosde = zodanig (als Ðde)
toioutoj = zodanig (als oØtoj)
oƒoj = zodanig als
Ðpoioj = hoedanig (ook)
2. grootte posoj; = hoe groot, hoeveel? tososde = zo groot, zoveel (als Ðde)
tosoutoj = zo groot (als oØtoj)
Ðsoj = zo groot als. zoveel als
Ðposoj = hoe groot / veel (ook)
3. hoeveelheid posoi; = hoeveel? tosoide = zoveel (als Ðde)
tosoutoi = zoveel (als oØtoj)
Ðsoi = zoveel als
Ðposoi = hoeveel (ook)
BIJZONDERHEDEN:
Na paj, pantoj wordt Ðsoj vaak gebruikt als relativum. Ook wordt paj dan vaak weggelaten: pantej, Ðsoi = allen, die
panta, Ðsa = alles, wat
Ðsoi pareisin = allen die aanwezig zijn
Ðsa parestin = alwat er is