Voorzetsels met genitivus

  • ¢nti , ¢nt' , ¢nq' + gen.
    • in ruil voor, in plaats van, ter vergelding van
    • in samenstellingen: tegen, wederkerig
  • ¢po , ¢p' , ¢f' + gen.
    • van(af) , van .... weg, sinds
      • ¢po tou qronou = van de zetel weg (Her. I,9)
    • overdrachtelijk:
    • in samenstellingen: af, weg, terug
  • ™k , ™x + gen.
    • uit; sinds; ten gevolge van, door toedoen van
      • ™x ¢nqrwpwn = door toedoen van mensen (Her. I,8)
      • ™x aÙtîn kakon ginetai = daaruit kwaad ontstaat (Her. I,9)
      • ™x aÙtÁj ginetai blaboj = door haar toedoen schade ontstaat (Her. I,9)
      • to poihqen ™k tou ¢ndroj = dat wat door toedoen van haar man gedaan was (Her.I,10)
      • ™k tou aÙtou men cwriou = (van)uit dezelfde plek (Her.I,11)
      • ™kratunqh ™k tou .. crhsthriou = werd bekrachtigd door (toedoen van) het orakel (Her.I,13)
    • overdrachtelijk:
    • in samenstellingen: uit, geheel
  • pro + gen.
    • vóór
    • overdrachtelijk:
    • in samenstelligen: voort-, vooraan, te voren, ter verdediging van
  • enkele minder voorkomende: (staan wel in de basiswoorden)
    • ¢neu + gen. = zonder
    • ™gguj + gen. = dichtbij
    • ˜neka , oØneka achter een woord in de gen. = wegens (bij Herodotos : eƒneken)
      • aÙtîn ..toutwn kai thj qewrihj .. eƒneken precies/juist wegens die dingen en wetenschappelijke interesse (Her.I,30)
    • plhn + gen. = behalve