CEVO minimumlijst
latijn
vereiste minimumkennis miv 2011:
stamtijden deponentia minimum
 
praesens perfectum betekenis
aggredior 3 agressus sum aanvallen
audeo ausus sum durven, wagen
fio (inf. fieri) factus sum worden; gebeuren; gemaakt worden
fruor 3 fructus sum genieten van
fungor 3 functus sum vervullen
gaudeo gavisus sum blij zijn; zich verheugen over
loquor 3 locutus sum spreken
mereor meritus sum zich verdienstelijk maken
morior 3 mortuus sum sterven
nascor 3 natus sum geboren worden
obliviscor 3 oblitus sum vergeten
orior 4 ortus sum ontstaan, beginnen; opkomen (zon)
patior 3 passus sum verdragen, dulden; toelaten
polliceor pollicitus sum beloven
proficiscor 3 profectus sum vertrekken
queror 3 questus sum (be)klagen
reor ratus sum menen
sequor 3 secutus sum volgen
soleo solitus sum de gewoonte hebben, gewoonlijk doen
utor 3 usus sum gebruiken
vehor 3 vectus sum varen, rijden
vereor veritus sum vrezen
vertor versus sum (zich) draaien, keren

Latijnse vormleer

  1. vormleer: deze behandelt de vormen, verbuiging en vervoeging van de verschillende woordsoorten
  2. syntaxis: deze behandelt het vormen van structuur in zinnen en van zinsverband
  3. stilistica
    1. speciaal Seneca
    2. algemeen:
      1. a - b
      2. c - m
      3. n - z
      4. narratologie


Vormleer per onderdeel :

  1. zelfstandige naamwoorden
    1. geslachtsregels
  2. bijvoeglijke naamwoorden
    1. corresponderende
  3. bijwoorden
    1. corresponderende
  4. telwoorden
  5. voornaamwoorden
    1. aanwijzende
    2. onbepaalde
    3. vragende
    4. persoonlijke
    5. bezittelijke
    6. betrekkelijke
  6. verba algemeen
    1. onvoltooid act.
    2. onvoltooid pas.
    3. voltooid. act.
    4. voltooid pas.
  7. deponentia
    1. onvoltooid
    2. voltooid
  8. onregelmatige ww
    1. fio fieri
    2. nolo, volo
    3. sum, possum
    4. eo
    5. fero
  9. stamtijden
    1. gewone
    2. (semi)deponentia