CEVO minimumlijst
latijn

vereiste minimumkennis miv 2011:
vormleer Latijn

VORMLEER overzicht van de minimum kennis

Op deze pagina wordt aangegeven wat je minimaal moet kennen voor het CE Laijn. De linken op deze pagina gaan slechts naar de bijbehorende rijtjes. Wil je een complete uitleg over een onderdeel of weten hoe het precies zit, klik dan in het menu hiernaast bij de vormleer per onderdeel op het gewenste onderdeel.

1. Zelfstandige naamwoorden (ZN):

Kennen de verbuiging / uitgangen van de:
a-stammen: tot deze stammen behoren de ZN op -a die in de woordenlijste staan zonder de gen. ev. erbij.en zij worden allen verbogen als:  filia (= dochter)
o-stammen: tot deze stammen behoren de ZN op -us en -um die in de woordenlijste staan zonder de gen. ev. erbij: de ZN op -us worden verbogen als dominus (= heer, meester), die op -um als bellum (= oorlog), Daarnaast behoren tot de o-stammen enkele ZN op -er waarbij de gen (e)ri aangegeven staat, deze verschillen alleen in de nom. van de verbuiging van dominus. Voorbeeldverbuigingen hiervan zijn:
ager, agri
(= akker) en puer, pueri (= jongen, slaaf) Hierbij hoort ook ´één woord op -ir: vir, viri (= man).

medeklinkerstammen: tot deze stammen behoren de ZN waarbij een gen. op -is staat aangegeven.: De mannelijke en vrouwelijke ZN van deze groep worden verbogen als: consul, - ulis (= consul); de onzijdige als nomen, -inis (= naam) De uitgangen van de andere naamvallen komen in plaats van -is in de gen.

Varianten: in plaats van de gen. mv. op -um komt ook een gen. mv. voor op -ium voor
.Het ZN mare, -is kent een iets afwijkende verbuiging!

Andere varianten worden niet als bekend verandersteld. Maar met de linken van de woorden in de vertaalhulp kom je wel bij de bijbehorende variant terecht.

u-stammen: tot deze stammen behoren de ZN waarbij een gen. op -us staat aangegeven.:deze worden verbogen als manus, manus (= hand, schare) (De onzijdige variant op -u, -us wordt niet bekend verondersteld.
e-stammen: tot deze stammen behoren de ZN waarbij een gen. op -ei staat aangegeven.:deze worden verbogen als res, rei (= zaak, ding)
Kennen de verbuiging / uitgangen van:

vis, vim, vi  (
= kracht, geweld),
Iuppiter
, Iovis (= Iuppiter)
domus, domus (= huis)
de vocativus: is altijd gelijk aan de nominativus ev en mv. : Behalve bij woorden op -us van de o-stammen èn alleen in het enkelvoud!  gaat hij uit op  -e!
Gaan deze woorden uit op dan wordt -ius > -i:
bijv. Vergili; en meus > mi: bijv. mi fili
de locativi ( een oude naamval die de plaats waar aangeeft: domi (= thuis) en Romae (= te Rome)
Kennen de volgende geslachtsregels:
Let op: Als een ZN een vrouwelijk persoon aanduidt is het altijd vrouwelijk en als het een mannelijk persoon aanduidt altijd mannelijk!
ZN van de a-stammen zijn vrouwelijk.
ZN op -us en -er van de o-stammen zijn mannelijk.
ZN op -um
van de o-stammen zijn onzijdig.

Bij de medeklinkerstammen gelden de volgende regels:
-
mannelijk zijn de woorden op -or.
- vrouwelijk zijn de woorden op -tas, -io en -x
- onzijdig zijn de woorden op -us, -oris en -men

ZN op -us van de u-stammen zijn mannelijk. Behalve manus (hand, schare) en domus (huis) zijn vrouwelijk!
ZN op -es van de e-stammen zijn vrouwelijk.

2. Bijvoeglijke naamwoorden (BN):

Kennen de verbuiging/uitgangen van:

De 3 soorten bijvoeglijke naamwoorden van de -o/-a-stammen, 3 uitgangen voor M, V en O:

  1. volgens: bonus, -a, -um (= goed)
  2. volgens: pulcher,-chra, -chrum (= mooi)
  3. volgens: miser, - era, -erum (= ongelukkig).

De 3 soorten bijvoeglijke naamwoorden van de

  1. van 3 uitgangen voor M, V en O volgens: acer, acris, acre ( = hevig, fel)
  2. van 2 uitgangen, één voor M + V en één voor O volgens fortis, forte ( = sterk, dapper)
  3. van 1 uitgang voor M + V + O volgens:  felix ,-icis(= gelukkig)

Kennen de vorming en verbuiging van de trappen van vergelijking:

Vorming van de vergrotende trap: vervang de gen. ev. op -i ( -o/-a-stammen) of -is (medeklinkerstammen) door -ior (-ioris).
Vorming van de overtreffende trap : vervang de gen. ev. op -i ( -o/-a-stammen) of -is (medeklinkerstammen) door -issimus. Let wel: de overtreffende trap van BN op -er wordt -errimus, van BN op -ilis wordt die -illimus!

Voorbeelden vorming en verbuiging:

BN

vergrotende trap
overtreffende trap
betekenis
altus altior altissimus hoog, diep
pulcher pulchrior pulcherrimus mooi
fortis fortior fortissimus dapper, sterk
facilis facilior facillimus makkelijk
Betekenissen van de vergrotende trap:
  • hoger
  • nogal hoog
  • te hoog
Betekenissen van de overtreffende trap:
  • hoogste
  • zeer hoog

Kennen de onregelmatige vorming van de volgende trappen van vergelijking:

BN

vergrotende trap
overtreffende trap
betekenis
bonus melior  optimus goed
malus   peior  pessimus slecht
magnus  maior  maximus groot
parvus minor  minimus klein
multus plus  in ev. + gen! plurimus veel

 

3. Bijwoorden

Kennen de vorming van de bijwoorden: ( Bijwoorden worden niet verbogen!)
Vorming vanaf BN van de -o/-a-stammen: uitgang gen. sg. M. > -e  bijv. alti > alte (= hoog)
Vorming vanaf BN van de medeklinkerstammen: uitgang gen. sg. M. > -iter bijv. fortis > fortiter  (= dapper)
Bijwoordsvormen van de vergrotende trap: gebruikt wordt de acc. sg. N.: -ius bijv. fortius (= dapperder)
Bijwoordsvormen van de overtreffende trap: de uitgang -us > -e bijv. fortissime (= zeer dapper)

4 Telwoorden

Kennen de verbuiging van unus, duo, tres.

5. Voornaamwoorden

Kennen de verbuging van de voornaamwoorden
Persoonlijke voornaamwoorden.
(Personalia)
  • ego, tu, nos, vos.
  • excl. de genitivi obiectivi: mei, tui, nostri, vestri, nostrum, vestrum.
Wederkerige voornaamwoorden "zich"
(Reflexiva)
  • sibi (dat.), se (acc;), se (abl.) ev. èn mv.!
  • excl. de genitivus subiectivus: sui
Bezittelijke voornaamwoorden
(Possessiva)
Aanwijzende voornaamwoorden
Aanduidende voornaamwoorden (Determinativa)
Betrekkelijke voornaamwoorden
(Relativa)
Vragende voornaamwoorden
(Interrogativa)
Onbepaalde voornaamwoorden
(Indefinita)
  • zelfstandig en bijvoeglijk: (ali)quis, quisquam/ullus, quidam, quisquis, quivis, (unus)quisque, nemo/nihil, nullus/nulla res

6. Het werkwoord:

a. De regelmatige vervoeging en betekenis.

De werkwoorden ingedeeld naar vervoegingsklasse:

a-stammen (of 1e conjugatie)

  • voco , inf. vocare

e-stammen of 2e conjugatie

  • terreo, inf. terrére
cons.-stammen of 3e conjugatie
  • mitto 3,  inf.  mittere

i-stammen of 4e conjugatie

  • audio ,  inf.  audire
capio-groep (voorheen 5e conjugatie)
  • capio 3,  inf.  capere
De genera:
  • activum
  • passivum
    • (semi)deponentia
De tempora:
  • 3 onvoltooide tijden:
    • praesens (o.t.t.)
    • imperfectum (o.v.t.)
    • futurum (o.t.t.t.)
  • 3 voltooide tijden:
    • perfectum (v.t.t.)
    • plusquamperfectum (v.v.t.)
    • futurum exactum (v.t.t.t.
De modi:
  • indicativus
  • coniunctivus
  • imperativus
Regelmatige perfectumvorming:

ind. pr. A.

ind. pf. A.

p.p.p.

inf. pr. A

1e conjugatie voco voca -vi voca -tus vocare
2e conjugatie terreo
deleo
terr -ui
dele -vi
terr -itus
dele -tus
terrére
delére
3e conjugatie mitto 3
rego 3
mi -si
re -xi
mis -sus
rec -tus
mittere
regere
4e conjugatie audio 4 audi -vi audi -tus audire
capio-groep capio 3 cepi cap -tus capere
Zie voor andere perfectumvorming de stamtijdenlijst!
b. De nominale vormen van het werkwoord:
Infinitivus:
  • praesens Actief: -are, -ēére, -ire, -ěre.
  • praesens Passief: -ari, -éri, -iri, -i !
  • futurum Actief: (van ppp:) -urus esse
  • perfectum Actief: -isse
  • perfectum Passief: (ppp): -us esse.
Participium:
  • participium praes. A. (ppa):  -ns, -ntis.
  • participium perf. P. (ppp): -tus, -ta, -tum / -sus, -sa, -sum.
  • participium fut. A. (pfa):  -urus, -ura, -urum. (van het ppp!)
Gerundium:
Het verbum gebruikt als substantief; kan object bij zich hebben:
  • {nom./acc.: scribere (epistulam)}
  • gen.: scribendi (epistulam)
  • dat.: scribendo (epistulam)
  • acc. (na voorzetsel): ad scribendum (epistulam)
  • abl.: scribendo (epistulam)
Betekenis: "het (een brief) schrijven"=  het schrijven (van een brief);  (in alle naamvallen.)
Gerundivum:
Het verbum gebruikt als bijvoeglijk naamwoord, congrueert dus met het woord waar het bij hoort:
  • -ndus, -nda, -ndum
Grondbetekenis: "-swaardig": laudandus = prijzenswaardig.
                                     Voor het gemak worden gerundium en gerundivum bij de bespreking                                      aangeduid als: -nd-vormen.
c. De onregelmatige vervoeging en betekenis van:
De onregelmatige verba:
sum [esse] (= zijn), possum [posse] (= kunnen), eo [ire] (= gaan)fio [ fieri] (= [gemaakt] worden, volo [ velle] (= willen), nolo [nolle] (= niet willen), malo [malle] (= liever willen), fero [ferre] (= dragen, brengen).
De onvolledige verba:
inquam (= zeggen), aio (= zeggen), memini (= zich herinneren), odi (= haten).
d. De principes van de vorming van (samengestelde) werkwoorden:
Composita:
bekend zijn met klinkerwisseling en assimilatie, bij samengestelde werkwoorden.
Inchoativa:
geven begin aan: -sc- bijv: van senex > senesco 3 (= oude man > oud worden); aridus > aresco 3 (= droog > droog worden)     
Intensiva / frequentativa:
geven versterkte of herhaalde handeling aan: vorming; uitgangen: -to 1 (-tare)of -ito 1 (-itare): ostendo 3 > ostento 1; cano 3 > cantito 1 etc.

Latijnse vormleer

  1. vormleer: deze behandelt de vormen, verbuiging en vervoeging van de verschillende woordsoorten
  2. syntaxis: deze behandelt het vormen van structuur in zinnen en van zinsverband
  3. stilistica
    1. speciaal Seneca
    2. algemeen:
      1. a - b
      2. c - m
      3. n - z
      4. narratologie


Vormleer per onderdeel :

  1. zelfstandige naamwoorden
    1. geslachtsregels
  2. bijvoeglijke naamwoorden
    1. corresponderende
  3. bijwoorden
    1. corresponderende
  4. telwoorden
  5. voornaamwoorden
    1. aanwijzende
    2. onbepaalde
    3. vragende
    4. persoonlijke
    5. bezittelijke
    6. betrekkelijke
  6. verba algemeen
    1. onvoltooid act.
    2. onvoltooid pas.
    3. voltooid. act.
    4. voltooid pas.
  7. deponentia
    1. onvoltooid
    2. voltooid
  8. onregelmatige ww
    1. fio fieri
    2. nolo, volo
    3. sum, possum
    4. eo
    5. fero
  9. stamtijden
    1. gewone
    2. (semi)deponentia