dominus heer, meester

 
enkelvoud
meervoud
nom.
domin
us
domin
i
gen.
domin
i
domin
orum
dat.
domin
o
domin
is
acc.
domin
um
domin
os
abl.
domin
o
domin
is
voc.
domin
e
 
  • deus heeft enkele variaties:
    • nom. pl. dii
    • dat/abl. pl. diis
    • voc. pl. di
  • woorden op -ius hebben een voc. op -i
    • mi fili
    • Lucili
Basisbetekenissen van de naamvallen: (voor de andere betekenissen klik op de naam van de naamval!
Nominativus: onderwerp, naamwoordelijk deel, bijstelling bij ondw.
Genitivus: van
Dativus: aan, voor, meew. vw.
Accusativus: lijdend voorwerp
Ablativus: vanaf, door, met
Vocativus ( beh. bij -us 2e decl. ev = nom!) aanspreekvorm