CvE minimumlijst
latijn
vereiste minimumkennis vormleer 2015:
Stilistische middelen a-b

De CvE-minimumlijst vormt het uitgangspunt bij de op het centrale examen gestelde vragen
en bij de annotatie van de ongeziene authentieke tekst.

De CvE gaat ervan uit dat de kandidaten vertrouwd zijn met de volgende stilistische en narratolische begrippen.

STILISTISCHE BEGRIPPEN (A)

A-fortiori-redenering
Een des-te-meer- redenering: "als bij dit al duidelijk is dat............, dan is dat zeker duidelijk als .................."

Alliteratie
Gelijkheid van de beginmedeklinkers van twee of meer woorden:

Leentje leerde Lotje lopen langs de lange Lindenlaan

o utinam possim populos reparare paternis
artibus................
Vertaling:
och kon ik maar de volkeren herstellen met de vaderlijke
ledematen ..................
(Ovidius, Metamorphoses 1, 363-364)

Alwetende verteller:

Persoon die alle kennis van gebeurtenissen, achtergronden en afloop van het verhaal heeft en weet wat er in het innerlijk van de personages omgaat (vaak omdat hij geïnsprireerd is door een Muze of goden.)

Anafoor
Het herhalen van hetzelfde tekstelement aan het begin van opeenvolgende (delen van) zinnen of versregels:

En niemand komt niemand tegen
En niemand zegt ik ben een iemandswoord
En niemand zegt ik ben maar ben verzwegen
De hemel zwijgt en zwijgt want enzovoort
(Hans Andreus)

Ille mi par esse deo videtur
Ille si fas est superare divos
Vertaling:
Die man schijnt mij gelijk te ziijn aan de goden
Die man (schijnt mij zelfs) -asl dat geoorloofd is- de goden te overtreffen
(Catullus, carmen 51)

Analogie als argument
Het argumenteren met gebruikmaking van een parallel geval : De overeenkomst (analogie) tussen soortgelijke situaties gebruikt Seneca als argumentatie. Vaak ook ingekleed als vergelijking.

Antithese
Het bij elkaar plaatsen van tegengestelde begrippen

Wat vriendelijker schijn bij vijandelijker haat!
Wat bitterder gemoed bij zoeter liefdeteken!
Wat zedelozer hart bij zedelijker spreken!
Wat Christelijke r groet bij duivelser verraad!
uit: Verraderlijke kus van Heiman Dullaert.

Alieni adpetens, sui profusus
Vertaling:
uit op andermans geld maar verkwistend met eigen bezit
(Sallustius, De coniuratione Catilinae 5)

Apostrofe
De auteur richt zich direct tot het/de personage(s) of levenloze dingen in het verhaal.

id vitium nulli per saecula longa notatum
quid non sentit amor? primi vidistis amantes
et vocis fecistis iter
, tutaeque per illud
murmure blanditiae minimo transire solebant.
Vertaling:
dat gebrek eeuwenlang door niemand opgemerkt
- wat merkt de liefe niet?- hebben jullie geliefden als eersten gezien
en gemaakt tot een doortocht voor de stem
, en veilig daar doorheen
plachten/waren gewoon de lieve woordjes met het zachtste gefluister te gaan.
(Ovidius, Metamorphoses 4, 66-69)

Assonantie
Het herhalen van dezelfde beklemtoonde klinkers

Denkend aan Holland
Zie ik brede rivieren
Traag door oneindig
Laagland gaan
(H. Marsman)

spumigeroque tuum fonti, qua plurimus exit,               
subde caput corpusque simul, simul elue crimen
Vertaling:
en dompel tegelijk je hoofd en je lichaam onder in de schuimende bron,
waar hij het krachtigst naar buiten komt, spoel (zo) gelijk je misdaad af.

(Ovidius, Metamorphoses 11, 140-141)

 

Asyndeton
Het opsommen van opeenvolgende tekstelementen zonder voegwoord:
.
adversatief asyndeton: als het asyndeton een antithese benadrukt.
explicatief/copulatief asyndeton: als het 2e deel ervan een verklaring geeft van het eerst deel

Dan zou ik mijn boek vertalen in het Maleis, Javaans, Soendaas, Alfoers, Boeginees, Battaks...
(Multatuli, Max Havelaar)

ornat quoque vestibus artus,
dat digitis gemmas, dat longa monilia collo,
aure leves bacae, redimicula pectore pendent
Vertaling:
Hij tooit haar ledematen ook met kleren.
Hij steekt edelstenen aan haar vingers (en) hangt lange halssnoeren aan haar nek.
Er hangen lichte oorbellen aan haar oren (en) linten over haar borst.

( Ovidius, Metamorphoses 10, 263-265)

 

Latijnse grammatica

  1. vormleer: deze behandelt de vormen, verbuiging en vervoeging van de verschillende woordsoorten
  2. syntaxis: deze behandelt het vormen van structuur in zinnen en van zinsverband
  3. stilistica en taaleigen
    1. algemeen:
      1. a - b
      2. c - m
      3. n - z

Vormleer per onderdeel :

  1. zelfstandige naamwoorden
    1. geslachtsregels
  2. bijvoeglijke naamwoorden
    1. corresponderende
  3. bijwoorden
    1. corresponderende
  4. telwoorden
  5. voornaamwoorden
    1. aanwijzende
    2. onbepaalde
    3. vragende
    4. persoonlijke
    5. bezittelijke
    6. betrekkelijke
  6. verba algemeen
    1. onvoltooid act.
    2. onvoltooid pas.
    3. voltooid. act.
    4. voltooid pas.
  7. deponentia
    1. onvoltooid
    2. voltooid
  8. onregelmatige ww
    1. fio fieri
    2. nolo, volo
    3. sum, possum
    4. eo
    5. fero
  9. stamtijden
    1. gewone
    2. (semi)deponentia