CvE minimumlijst
latijn
vereiste minimumkennis vormleer 2016:

Naast de CvE minmumlijst worden bij het centrale examen 2016 zowel bij de vragen als de annotatie ook nog onderstaande verschijnselen bekend verondersteld.
N.B. Begrippen met worden niet bekend verondersteld.

Metrum Vergilius:

Latijnse poëzie wordt niet gekenmerkt door rijm of zo, maar door een bepaald metrum, dat is een regelmatige afwisseling, volgens een vastgesteld patroon, van lange lettergrepen (¾) en korte lettergrepen (È).

Voor het epos (o.a. de Aeneis) wordt de zogenaamde dactylische hexameter gebruikt.  d.w.z. elke versregel bestaat uit zes (hex) versvoeten (metron) met een dactylus (¾ÈÈ). De zesde versvoet is altijd onvolledig en bestaat uit slechts 2 lettergrepen, waarvan de eerste altijd lang (¾) is en de tweede lang (¾) of kort (È) (dit wordt aangegeven worden met een x).

De eerste lettergreep van een versvoet is altijd lang (¾) en hierop valt de klemtoon, aangegeven door een ′ (ictus) (Deze aangeven, lukt helaas niet erg goed op de pc. Het einde van een versvoet wordt aangegeven door /.)

In principe kunnen in iedere dactylus de twee korte lettergrepen vervangen worden door één lange. Een dergelijke versvoet van twee lange lettergrepen heet spondeus/spondee. Echter de vijfde versvoet is bijna altijd een dactylus; komt er echter in de vijfde voet toch een spondee voor dan spreekt men van versus spondiacus.

Het schema van een dactylische hexameter is dus:

    __      __      __    __    __    
¾ÈÈ/¾ÈÈ/¾ÈÈ/¾ÈÈ/¾ÈÈ/¾x
1        2        3        4        5*       6

(*Alleen de 5e versvoet is (bijna) altijd ¾ÈÈ. Is deze toch ¾ ¾ dan spreekt men van een versus spondiacus.)

Voor het scanderen zie hier.

Metrische effecten door de afwisseling van dactylus en spondee

Het toepassen van veel spondeeën in een versregel suggereert somberheid/traagheid/dreiging/nadruk.

Het veelvuldig gebruik van dactyli in een versregel drukt luchtigheid/snelheid uit.

Een aparte plaats hierbij neemt het zgn. versus spondiacus in: Dit is een vers waarin de 5e versvoet (de voorlaatste) uit een spondee bestaat, iets dat heel zelden gebeurt, zelfs als de andere versvoeten uit spondeeën bestaan.:

Elisie
Als een woord op een klinker of m eindigt en het volgende woord met een klinker of h- begint, dan telt voor het metrum de slotlettergreep niet mee. Is het tweede woord est, dan telt de e van est niet mee!!

Uitzonderlijk wordt een hiaat gehandhaafd bij tussenwerpsels of voor een caesuur om de eindklinker te benadrukken.

Het meermaals voorkomen van elisie kan opwinding, zwaarmoedigheid en ook gehuil uitdrukken.

Voorbeelden:

vb. Ov. Met. I, 3:
primaque ab origine geldt voor het metrum als: primaqu' ab origine
vb. Ov. Met. II, 41: propiusque accedere geldt voor het metrum als: propiusqu' accedere
vb. Ov. Met. II, 51:
facta tua est geldt voor het metrum als: facta tua 'st
vb. Ov. Met. II, 59:
consistere in axe geldt voor het metrum als: consister' in axe



Enjambement

een zin loopt over het einde van een vers heen (dus geen leesteken daar!) en eindigt op de eerste plaats of één van de eerste plaatsen in het volgende vers voor een leesteken; hierdoor krijgt dat woord bijzondere nadruk!

Voorbeelden :

In nova fert animus mutatas dicere formas
corpora
;
Vertaling:
Mijn geest brengt mij ertoe te/wil vertellen over de gedaantes
, die veranderd zijn in nieuwe
lichamen:
Het enjambement en de plaatsing van zowel in nova als corpora vooraan (het hele werk) én ook nog in hyperbaton benadrukt dat metamorphoses (gedaanteveranderingen) het onderwerp van het hele werk
zijn.
(Ovidius, Metamorphoses I, 1-2)


(pignora da generis), per quae tua vera propago
credar,

Vertaling:
(geef bewijzen van mijn afkomst,) opdat ik daardoor als uw ware nakomeling
beschouwd/geloofd wordt,
(Ovidius, Metamorphoses II, 38-39)

Latijnse grammatica

  1. vormleer: deze behandelt de vormen, verbuiging en vervoeging van de verschillende woordsoorten
  2. syntaxis: deze behandelt het vormen van structuur in zinnen en van zinsverband
  3. stilistica en taaleigen
    1. algemeen:
      1. a - b
      2. c - m
      3. n - z
      4. narratologie
      5. argumentatie
    2. taaleigen epos
      1. bijzonderheden
      2. metrum.doc
      3. metrum.htm
      4. scanderen.doc
      5. scanderen.htm

Vormleer per onderdeel :

  1. zelfstandige naamwoorden
    1. geslachtsregels
  2. bijvoeglijke naamwoorden
    1. corresponderende
  3. bijwoorden
    1. corresponderende
  4. telwoorden
  5. voornaamwoorden
    1. aanwijzende
    2. onbepaalde
    3. vragende
    4. persoonlijke
    5. bezittelijke
    6. betrekkelijke
  6. verba algemeen
    1. onvoltooid act.
    2. onvoltooid pas.
    3. voltooid. act.
    4. voltooid pas.
  7. deponentia
    1. onvoltooid
    2. voltooid
  8. onregelmatige ww
    1. fio fieri
    2. nolo, volo
    3. sum, possum
    4. eo
    5. fero
  9. stamtijden
    1. gewone
    2. (semi)deponentia