CvE minimumlijst
latijn
vereiste minimumkennis vormleer 2016:
Argumentatieve begrippen

De CvE-minimumlijst vormt het uitgangspunt bij de op het centrale examen gestelde vragen
en bij de annotatie van de ongeziene authentieke tekst.

De CvE gaat ervan uit dat de kandidaten vertrouwd zijn met de volgende stilistische begrippen.
N.B. Begrippen met worden niet bekend verondersteld.

ARGUMENTATIEVE BEGRIPPEN

A-fortiori-redenering ("des-te-meer"- redenering)
Een redenering die stelt dat, wanneer in een bepaalde situatie iets geldt, het vanzelfsprekend is dat dit in
een andere situatie met des te meer reden geldt.

Als een volwassene deze steen niet kan optillen, kan een kind dat al helemaal niet.

Nam tu quoque, qui consulis, diu an consuleres cogitasti: quanto magis hoc mihi faciendum est,
cum longiore mora opus sit ut solvas quaestionem quam ut proponas?

Vertaling:
Want ook jij, die mij om raad vraagt, hebt lang nagedacht of je me wel om raad moest vragen. Des te meer moet dat (nadenken)
door mij gedaan worden, omdat het geven van een oplossing meer tjjd vergt dan het stellen van een vraag.
(Seneca, Epistula ad Lucilium 48,1)


Analogie:

Een argumentatie die gebruik maakt van een vergelijkbare situatie.

Ut igitur Athenas et Lacedaemonem Atheniensium Lacedaemoniorumque causa putandum est conditas
esse, omnaique quae sint in his urbibus eorum populorum recte esse dicuntur, sic quaecumque sunt in
omni mundo deorum atque hominum putanda sunt.
Vertaling:
Zoals we kunnen veronderstellen dat Athena en Sparta gesticht zijn vanwege de Atheners en Spartanen,
en dat men terecht zegt dat alles wat zich in die steden bevindt, (eigendom) is van die volken, zo kan/mag men
veronderstellen dat alles wat er in het hele universum bestaat, (eigendom) van goden en mensen is.
(Cicero, De natura deorum 2, 154)

Autoriteitsargument
De verwijzing naar een uitspraak van een belangrijk persoon om een eigen bewering kracht bij te zetten.

[10] Sed ne soli mihi hodie didicerim, communicabo tecum quae occurrunt mihi egregie dicta circa eundem fere sensum tria, ex quibus unum haec epistula in debitum solvet, duo in antecessum accipe. Democritus ait, 'unus mihi pro populo est, et populus pro uno'. [11] Bene et ille, quisquis fuit - ambigitur enim de auctore -, cum quaereretur ab illo quo tanta diligentia artis spectaret ad paucissimos perventurae, 'satis sunt' inquit 'mihi pauci, satis est unus, satis est nullus'. Egregie hoc tertium Epicurus, cum uni ex consortibus studiorum suorum scriberet: 'haec' inquit 'ego non multis, sed tibi; satis enim magnum alter alteri theatrum sumus'. [12] Ista, mi Lucili, condenda in animum sunt, ut contemnas voluptatem ex plurium assensione venientem. Multi te laudant: ecquid habes cur placeas tibi, si is es quem intellegant multi ? introrsus bona tua spectent. Vale.

Invoeren fictieve spreker
Een opmerking van een denkbeeldige spreker

Dicet aliquis, "quid mihi prodest philosophia, si fatum est?"
Vertaling:
Iemand zal zeggen: "Wat voordeel heeft filosofie voor mij, als het noodlot bestaat?"
(Seneca, Epistula ad Lucilium 16,4)

Syllogisme
Een redenering waarbij een conclusie getrokken wordt uit twee premissen (stellingen): een algemene (premisse maior)
en een specifieke (premisse minor).

premisse maior: Alle mensen zijn sterfelijk
premisse minor: Socrates is een mens
conclusie:            Socrates is sterfelijk

 

 

Latijnse grammatica

  1. vormleer: deze behandelt de vormen, verbuiging en vervoeging van de verschillende woordsoorten
  2. syntaxis: deze behandelt het vormen van structuur in zinnen en van zinsverband
  3. stilistica en taaleigen
    1. algemeen:
      1. a - b
      2. c - m
      3. n - z
      4. narratologie
      5. argumentatie
    2. taaleigen epos
      1. bijzonderheden
      2. metrum.doc
      3. metrum.htm
      4. scanderen.doc
      5. scanderen.htm

Vormleer per onderdeel :

  1. zelfstandige naamwoorden
    1. geslachtsregels
  2. bijvoeglijke naamwoorden
    1. corresponderende
  3. bijwoorden
    1. corresponderende
  4. telwoorden
  5. voornaamwoorden
    1. aanwijzende
    2. onbepaalde
    3. vragende
    4. persoonlijke
    5. bezittelijke
    6. betrekkelijke
  6. verba algemeen
    1. onvoltooid act.
    2. onvoltooid pas.
    3. voltooid. act.
    4. voltooid pas.
  7. deponentia
    1. onvoltooid
    2. voltooid
  8. onregelmatige ww
    1. fio fieri
    2. nolo, volo
    3. sum, possum
    4. eo
    5. fero
  9. stamtijden
    1. gewone
    2. (semi)deponentia