CvE minimumlijst
latijn
vereiste minimumkennis syntaxis 2017:

Ablativus

  • De basisvertalingen van de ablativus waarmee je vaak een heel eind komt zijn:
    • vanaf
    • door
    • met
    • in, op

Daarnaast zijn er nog de volgende bijzondere betekenissen:
  • aanvulling bij verba als "lijdend voorwerp", een aantal verba heeft geen. acc. als lijdend voorwerp, maar de abl.:
    • verba die een emotie uitdrukken
    • verba die betekenen "bevrijden van, beroven van".
    • verba die betekenen "missen, nodig hebben".
    • bij mihi opus est = ik heb nodig
    • bij de deponentia: utor (3) = gebruiken, fruor (3) = genieten van, fungor (3) = (een functie) bekleden, vervullen
      • virginitate frui = genieten van de maagdelijkheid (Ov. Met. I, 487)
  • aanvulling bij adiectiva, enkele adiectiva hebben een ablativus bij zich:
  • abl. van betrekking/limitationis : geeft aan dat het niet het geheel betreft, maar een bepaald deel: "wat betreft" , of hij geeft antwoord op de vraag "in welk opzicht?"
    • pectore toto uritur = hij staat in vuur en vlam wat betreft/ in zijn hele borst (Ov. Met. I, 495)
    • loco medius Sol = de Zon, wat plaats betreft in het midden (Ov. Met.I I, 31)
  • bijwoordelijke bepaling van vergelijking (abl. comparationis) : na een vergrotende trap betekent de abl. "dan". ( ipv quam + acc. of nom;)
    • Quid Iove maius habemus? = Wat groters dan Iuppiter hebben wij? (Ov. Met. II, 62)
    • tanto minor est tua gloria nostra (gloria) = zoveel minder is jouw roem dan de onze (Ov. Met. I, 465)
    • ocior aura = sneller dan een bries (Ov. Met. I, 502)
  • bijwoordelijke bepaling van maat (abl. mensurae):: geeft bij een vergrotende trap of een comparatief begrip de mate van verschil aan:
    • quantoque animalia cedunt = zozeer als de levende wezens onderdoen voor (Ov. Met. I, 464)
    • tanto minor est tua gloria = zoveel minder is jouw roem (Ov. Met. I, 465)
    • multis ante annis = vele jaren tevoren/tevoren
  • bijwoordelijke bepaling van plaats (abl. loci)
    • hac .... arce = op deze burcht (Ov. Met. II,33)
  • bijwoordelijke bepaling van tijd (abl. temporis): bij woorden die een tijdsperiode aanduiden, geeft de abl. aan: het tijdstip waarop;
  • abl. separativus: duidt de plaats waarvandaan een verwijdering of de zaak aan waarmee een scheiding optreedt:
      • vix cuiquam persuadebatur Graecia omni cessuros = nauwelijks iemand werd overtuigd, dat zij uit heel Griekenland zouden weggaan
  • bijwoordelijke bepaling van middel ( abl. instrumentalis): duidt het middel of werktuig aan waarmee iets gedaan wordt.
  • bijwoordelijke bepaling van reden (abl. causae): geeft de oorzaak of reden van iets aan:
  • bijwoordelijke bepaling van wijze (abl. modi) geeft de wijze of manier waarop aan:
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

Latijnse grammatica

vormleer: deze behandelt de vormen, verbuiging en vervoeging van de verschillende woordsoorten

syntaxis: deze behandelt het vormen van structuur in zinnen en van zinsverband

stilistica en taaleigen
zie onder vormleer!


Syntaxis per onderdeel:

  1. participium
  2. ablativus absolutus.
  3. gerundi(v)um
  4. infinitivus constructies
  5. vraagzinnen
  6. modi in hoofdzin
  7. modi in bijzinnen
    1. van doel
    2. van oorzaak/reden
    3. vergelijkende
    4. van toegeving
    5. van voorwaarde
    6. van gevolg
    7. betrekkelijke
    8. van tijd
  8. nom. voc. locativus
  9. genitivus
  10. dativus
  11. accusativus
  12. ablativus