CvE minimumlijst
latijn
vereiste minimumkennis vormleer 2017:

De CvE-minimumlijst vormt het uitgangspunt bij de op het centrale examen gestelde vragen
en bij de annotatie van de ongeziene authentieke tekst.

De CvE gaat ervan uit dat de kandidaten vertrouwd zijn met de volgende stilistische begrippen.
N.B. Begrippen met worden niet bekend verondersteld.

NARRATOLOGISCHE BEGRIPPEN

Alwetende verteller
De vertellende instantie die complete kennis van alle gebeurtenissen, achtergronden en het verloop van het verhaal heeft

Apostrofe
De verteller richt zich rechtstreeks tot een personage of gepersonifieerde zaak in het verhaal.

Quis tibi tum, Dido, cernenti talia sensus?
Vertaling:
Hoe was je er toen aan toe, Dido, toen je dergelijke dingen zag?
(Vergilius, Aeneis, IV, 408)

..........Priamique arx alta maneres.
Vertaling:
.........en dan zou jij nog overeind staan, hoge burcht van Priamus.
(Vergilius, Aeneis II, 56)

Dramatische ironie
Het verschijnsel dat een of meer personages minder kennis van de situatie hebben dan de lezer / het publiek.

Quisquis es, huc exi! Quid me, puer unice, fallis
quovis petitus abis? Certe nec forma nec aetas
est mea, quam fugias.

Vertaling:
Wie je ook bent, kom hier! Waarom houd je me voor de gek, unieke jongen,
of waarheen ga je weg, terwijl ik naar je verlang. Zeker is noch mijn schoonheid noch mijn leeftijd
zó dat je (daarvoor) vlucht.
(Ovidius, Metamorphosen III, 454-456)
De ironie is: Narcissus spreekt tot zjn eigen spiegelbeeld zonder dat hij dit zelf in de gaten heeft.

Prospectie (flashforward)
Het vooruitkijken door een personage of de verteller naar latere gebeurtenissen
inslapen (= sterven)

dedit oscula nato
non iterum repetenda suo
Vertaling:
Hij gaf aan zijn zoon kussen,
die niet opnieuw gegeven konden/zouden worden.

(Ovidius, Metamorphoses 8, 211-212)
(
Toelichting: Daedalus kuste zijn zoon Icarus voordat ze wegvlogen van Kreta. Icarus zou tijdens die vlucht omkomen)

Raamvertelling
Een verhaal dat als kader één of meer andere verhalen omsluit.

Het verhaal over het diner bij Dido als kader waarbinnen Aeneas zijn verhalen vertelt.


Retrospectie (flashback)
Het terugkijken door een personage of de verteller op gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden.

Stipes erat quem, cum partus enixa iaceret
Thestias, in flammam triplices posuere sorores ;
(..........)
Ille diu fuerat penetralibus abditus imis

servatusque tuos, iuvenis, servaverat annos.

Vertaling:
Er was een stuk hout dat, toen de dochter van Thestius in het kraambed lag,
de drie schikgodinnen in het vuur hadden gelegd.
(...........)
Dat had lang achter in een diepe kast verborgen gelegen
en doordat het gered was (uit het vuur), had het jou al die jaren gered, jongen.

(Ovidius, Metamorphoses 8, 451-459)

Vertellerscommentaar
Het door de alwetende verteller (terloops) geleverde commentaar op gebeurtenissen of personages.

id vitium nulli per saecula longa notatum
quid non sentit amor? primi vidistis amantes
et vocis fecistis iter, tutaeque per illud
murmure blanditiae minimo transire solebant.

Vertaling:
deze fout/dit gebrek eeuwenlang door niemand opgemerkt
hebben jullie ( wat merkt de liefde niet?) als eersten gezien, geliefden,
en gemaakt tot een doortocht voor de stem; en daardoor heen plachten veilig
jullie lieve woordjes met zeer zacht gefluister te gaan.

(Ovidius, Metamorphoses 4, 66-69)

At regina dolos (quis fallere possit amantem?)
praesensit

Vertaling:
Maar de koningin voorvoelde het bedrog/de listen (wie
zou een verliefde kunnen misleiden?
)
(Vergilius, Aeneis IV, 296-297)

Vertelperspectief
De positie van waaruit de verteller het verhaal verteld

Verteltempo
De verhouding tussen verteltijd en vertelde tijd

Verteltijd
De tijd die gebruikt wordt om het verhaal te vertellen

Vertelde tijd
De tijdsduur van van de vertelde gebeurtenissen

  • wanneer de woorden van ee personage in de directe rede worden weergegeven,
    is de verteltijd even lang als de vertelde tijd.
  • wanneer in een vertelling een samenvatting van gebeurtenissen wordt gegeven of wanneer er een sprong in de tijd wordt gemaakt,
    is de verteltijd korter dan de vertelde tijd.
  • wanneer in een vertelling een beschrijving wordt gegeven van een persoon of voorwerp,
    is de verteltijd langer dan de vertelde tijd.
    • versnelling: het verteltempo wordt hoger dan in het voorafgaande
    • vertraging: het verteltempo wordt lager dan in het voorgaande
 

Latijnse grammatica

  1. vormleer: deze behandelt de vormen, verbuiging en vervoeging van de verschillende woordsoorten
  2. syntaxis: deze behandelt het vormen van structuur in zinnen en van zinsverband
  3. stilistica en taaleigen
    1. algemeen:
      1. a - b
      2. c - m
      3. n - z
      4. narratologie
      5. argumentatie

Vormleer per onderdeel :

  1. zelfstandige naamwoorden
    1. geslachtsregels
  2. bijvoeglijke naamwoorden
    1. corresponderende
  3. bijwoorden
    1. corresponderende
  4. telwoorden
  5. voornaamwoorden
    1. aanwijzende
    2. onbepaalde
    3. vragende
    4. persoonlijke
    5. bezittelijke
    6. betrekkelijke
  6. verba algemeen
    1. onvoltooid act.
    2. onvoltooid pas.
    3. voltooid. act.
    4. voltooid pas.
  7. deponentia
    1. onvoltooid
    2. voltooid
  8. onregelmatige ww
    1. fio fieri
    2. nolo, volo
    3. sum, possum
    4. eo
    5. fero
  9. stamtijden
    1. gewone
    2. (semi)deponentia