CvTE minimumlijst

latijn
vereiste minimumkennis syntaxis 2018:

OVERZICHT SYNTAXIS

Op deze pagina wordt aangegeven wat je minimaal moet kennen voor het CE Laijn. Op deze pagina staat slechts een opsommng van datgene wat bekend verondersteld wordt. Wil je een complete uitleg over een onderdeel of weten hoe het precies zit, klik dan in het menu hiernaast bij de syntaxis per onderdeel op het gewenste onderdeel.

Alle onderstreepte blauwe woorden zijn linken naar de betreffende rijtjes of uitleg.

1. Congruentie

Het begrip congruentie / congrueren met: het zich in vorm / uitgang aanpassen aan.

Congruentieregels met betrekking tot:
-- onderwerp - persoonsvorm : de persoonsvorm congrueert met het onderwerp in persoon en getal; in perf. pass. ook in geslacht.
-- onderwerp - naamwoordelijk deel gezegde: het naamwoordelijk deel van het gezegde congrueert met het onderwerp in naamval,     geslacht en getal. Naamwoordelijk gezegde komt voor bij de koppelwerkwoorden: sum (esse) = zijn, fio (fieri) = worden en videor     (vidēri) = schijnen.
-- bijstelling: een bijstelling congrueert in naamval en getal met het woord waar het bijgesteld is.
-- bijvoeglijke (voor)naamwoorden congrueren met de zelfstandige naamwoorden, waar ze bij horen, in naamval, gesllacht en getal.
-- betrekkelijke voornaamwoorden congrueren met hun antecedent in geslacht en getal. Hun naamval wordt bepaald door hun functie in     de bijzin.
-- bijvoeglijke bepaling: ofwel congrueert in geslacht, getal en naamval ofwel staat erbij in de genitivus.
-- predicatieve bepaling (vertalen met: als): een substantief in dezelfde naamval en getal bij een ander.

2. Functies van naamvallen

Nominativus:

-- onderwerp
-- naamwoordelijk deel van het gezegde. ( Naamwoordelijk gezegde komt voor bij de koppelwerkwoorden: sum (esse) = zijn, fio (fieri) =     worden en videor     (vidēri) = schijnen.)

Genitivus: (volledig overzicht met voorbeelden)

-- bijvoeglijke bepaling, met name:
    -- genitivus possessivus
    -- genitivus partitivus
    -- genitivus subiectivus
    --genitivus obiectivus
-- als aanvulling bij werkwoorden (met name: bij werkwoorden die betekenen: (zich) herinneren en vergeten: memini en obliviscor 3.)
--
als aanvulling bij bijvoeglijke naamwoorden (bijv. expers + gen = ervaren met/in)
-- causa met genitivus (= wegens)

Dativus: (volledig overzicht met voorbeelden)

-- meewerkend voorwerp
-- de handelende persoon bij het gerundivum (dativus auctoris)
-- de bezitter bij het werkwoord esse
-- als aanvulling bij bijvoeglijke naamwoorden

Accusativus: (volledig overzicht met voorbeelden)

-- lijdend voorwerp / object
-- bijwoordelijke bepaling tijdsduur en afstand
-- de accusativi van richting Romam (naar Rome) en domum (naar huis)
-- als aanvulling bij werkwoorden met dubbele accusativus (bijv. creo 1 = iemand maken tot, habeo = iemand beschouwen als)
-- als onderwerp en naamwoordelijk deel van het gezegde in de a.c.i.

Ablativus:: (volledig overzicht met voorbeelden)

-- bijwoordelijke bepaling van plaats, tijd, middel, reden, wijze, maat en vergelijking
-- als aanvulling bij werkwoorden:  careo  (= missen), utor 3 (= gebruiken), fruor 3 (= genieten van), fungor 3 (= vervullen, waarnemen) en     het impersonale (onpersoonlijke uitdrukking): opus est mihi (= ik heb nodig)
-- als aanvulling bij bijvoeglijke naamwoorden:
-- in de ablativus absolutus constructie

Vocativus:

-- aanspreekvorm

3. Voorzetsels

Het gebruik van naamvallen bij voorzetsels
4. Bijvoeglijke naamwoorden.

Het bijvoeglijk en zelfstandig gebruik van bijvoeglijke naamwoorden
5. Trappen van vergelijking. (volledig overzicht met voorbeelden)

-- Het gebruik en de betekenis van de vergrotende trap inclusief de betekenissen "tamelijk" en "te".
-- Het gebruik van quam ofwel de ablsativus van vergelijking na een vergrotende trap, betekenis: "dan".
-- Het gebruik en de betekenis van de overtreffende trap in de betekenissen "-ste"en "zeer".
-- Het gebruik van quam + ovetreffende trap: "zo ........... mogelijk".
6. Voornaamwoorden

-- Bijvoeglijk en zelfstandig gebruik
En voor de betrekkelijke (bij)zinnen:
-- Het (ingesloten) antecedent van een betrekkelijke bijzin
-- De relatieve aansluiting

7. Werkwoorden

De begrippen overgankelijk (transitief) en onovergankelijk (intransitief).
De begrippen directe rede en indirecte rede.
Het begrip (semi)deponens.
- Het gebruik van de tijden:
-- het praesens: kernbetekenis gelijktijdig aan het heden.
---- praesens historicum: in een verhalende passage kan het praesens gebruikt worden om een gebeurtenis uit het verleden aan te       duiden

-- het imperfectum: kernbetekenis gelijktijdig aan een moment (of een periode) in het verleden.
---- In een verhalende passage duidt het imperfectum meestal een voortdurende situatie in het verhaal aan.
---- imperfectum de conatu: soms blijkt uit het vervolg van het verhaal dat deze situatie "mislukt" is of niet tot een einde gebracht werd
       (poging)
---- Het imperfectum wordt ook gebruikt om kenmerken van personen of dingen uit het verleden te beschrijven; voorbeelden:
------ beschrijving van de achtergrond waartegen het verhaal zich afspeelt
------ beschrijving van een gewoonte van een persoon uit het verleden.

-- het perfectum: kernbetekenis: voortijdig aan het heden.
---- In een verhalende passage duidt een perfectectum een gebeurtenis / de gebeurtenissen in het verhaal aan.
- Coniunctivus:
- in hoofdzinnen: (volledig overzicht met voorbeelden)
-- coni. adhortativus: aansporing (coni. praes.)
-- coni. prohibitivus: verbod (ne + coni. praes. en perf.)
-- coni. dubitativus: twijfel (heden en verleden)
-- coni. optativus: vervulbare en onvervulbare wens
-- coni. potentialis: mogelijkheid (heden en verleden)
-- coni. irrealis: een "niet-werkelijkheid" (in heden en verleden)

- in conditionele bijzinnen: (volledig overzicht met voorbeelden)
-- potentialis: mogelijkheid
-- irrealis: "niet-werkelijkheid" van heden en verleden.

- in betrekkelijke bijzinnen: (volledig overzicht met voorbeelden)
-- de coniunctivus geeft een finale (opdat, om te), causale (omdat) of consecutief/definiërende (zo'n/zulk een.. dat) (bij)betekenis aan.

- een indirecte vraagzin staat altijd in de coni. (volledig overzicht met voorbeelden)

- in bijzinnen van de indirecte rede/oratio obliqua staat altijd de coni. (volledig overzicht met voorbeelden)

- na de voegwoorden cum, ut en ne . Let op: betekenisverschil bij ut en cum na een indic. of coni.!! (volledig overzicht met voorbeelden)

N.B. Het gebruik van de coniunctivus in causale bijzinnen die met quia en quod worden ingeleid (geeft een subjectieve reden aan), wordt niet bekend verondersteld.
- Infinitivus:
-- de begrippen gelijktijdig(heid), voorijdig(heid) en natijdig(heid).
-- de infinitivus in de a.c.i. en n.c.i. (volledig overzicht met voorbeelden)
- Participium:
-- de begrippen gelijktijdig(heid), voorijdig(heid) en natijdig(heid).
-- bijvoeglijk, zelfstandig en predicatief gebruikt.
-- in de ablativus absolutus .
-- het participium futurum actief met doelaangevende betekenis.
-- het participium futurum actief in combinatie met vormen van esse als een omschrijvend futurum (coniugatio periphrastica)
-- het dominant gebruik van het participium.
---- (volledig overzicht met voorbeelden)
- Gerundium

- Gerundivum
-- het gerundivum als naamwoordelijk deel van het gezegde als gerundivum van verplichting, inclusief de vertaling "kunnen" en "mogen"
(in geval van ontkenningen)
-- de dominant gebruik van het gerundivum, namelijk in de zgn. gerundivumconstructie.
---- (volledig overzicht met voorbeelden)

8. Vraagzinnen:

- Directe en indirecte vragen.
- De vraagpartikels num, nonne, -ne en utrum/-ne ........... an.
---- (volledig overzicht met voorbeelden)

 

Latijnse grammatica

vormleer: deze behandelt de vormen, verbuiging en vervoeging van de verschillende woordsoorten

syntaxis: deze behandelt het vormen van structuur in zinnen en van zinsverband

stilistica en taaleigen
zie onder vormleer!


Syntaxis per onderdeel:

  1. participium
  2. ablativus absolutus.
  3. gerundi(v)um
  4. infinitivus constructies
  5. vraagzinnen
  6. modi in hoofdzin
  7. modi in bijzinnen
    1. van doel
    2. van oorzaak/reden
    3. vergelijkende
    4. van toegeving
    5. van voorwaarde
    6. van gevolg
    7. betrekkelijke
    8. van tijd
  8. nom. voc. locativus
  9. genitivus
  10. dativus
  11. accusativus
  12. ablativus