CvTE minimumlijst

latijn
vereiste minimumkennis vormleer 2018:

 

SUBSTANTIVA / Zelfstandige naamwoorden (overzicht)

declinatie:

a-stammen

o -stammen

medeklinker stammen

u-stammen.

e-stammen

geslacht:

V

M

O

M of V

O

M

V

NOM

ev

fili a

domin us

bell um

urbs

nomen

man us

r es 

GEN

ev

fili ae

domin i

bell i

urb is

nomin is

man us

r ei

DAT

ev

fili ae

domin o

bell o

urb i

nomin i

man ui

r ei

ACC

ev

fili am

domin um

bell um

urb em

nomen

man um

r em

ABL

ev

fili a

domin o

bell o

urb e

nomin e

man u

r e

VOC

ev

.

domin e

         

NOM

mv

fili ae

domin i

bell a

urb es

nomin a

man us

r es

GEN

mv

fili arum

domin orum

bell orum

urb ium

nomin um

man uum

r erum

DAT

mv

fili is

domin is

bell is

urb ibus

nomin ibus

man ibus

r ebus

ACC

mv

fili as

domin os

bell a

urb es

nomin a

man us

r es

ABL

mv

fili is

domin is

bell is

urb ibus

nomin ibus

man ibus

r ebus

Betekenis:

dochter

heer

oorlog

stad

naam

hand

zaak, ding

 
Basisfuncties/ -vertaling van de naamvallen:
Nominativus: onderwerp (subject); naamwoordelijk deel van het gezegde (praedicaatsnomen).
Genitivus: van
Dativus: aan, voor
Accusativus: lijdend voorwerp; bij stedennamen en 'domus': naar
Ablativus: vanaf, door, met
Vocativus: aanspreekvorm. De vocativus is gelijk aan de nominativus, behalve bij woorden op -us van de 2e decl. in het enkelvoud = -e!
Let op: Bij zelfstandige op -ius wordt de vocativus -i: filius vocativus fili!

N.B. Locativus op -i: een oude naamval die nog voorkomt bij stedennamen en 'domus': domi = thuis; Romae = te/in Rome.
 
Bijzonderheden:
  • Bij onzijdige woorden (neutra) is de acc. altijd gelijk aan de nom. en deze eindigen in het meervoud altijd op: -a.
  • In de 2e decl. eindigen een aantal nomina op -er in de nom.: bijv. type puer, pueri (verbuiging alsof het komt van *puerus) en type ager, agri ; (verbuiging alsof het komt van *agrus) en één woord op -ir: vir, viri (verbuiging alsof het komt van *virus)
  • De 3e declinatie:
    • de nom. ev. kan op van alles eindigen; daarom moet je altijd de gen. ev. op -is erbij leren. Wat voor -is staat is de stam waarachter de andere uitgangen komen.
    • de gen. mv. kan eindigen op -um of -ium.
    • de nom./acc. mv. O. kan eindigen op -a of -ia.
    • de abl. ev. eindigt bij subst. en ppa op -e; maar op -i bij adiectiva!   
        Maar....
      • (bij substantiva) op -i bij:
        • geografische namen op -is (deze hebben ook acc. ev. op -im)
        • sitis, puppis, turris, turris (=toren), febris, securis (deze hebben ook acc. ev. op -im)
        • woorden op: -e, -al (altijd O.!) bv. mare, maris (= zee), animal
      • (bij adiectiva) op -e bij:
        • vetus , -eris (= oud); dives, -itis; pauper, -ris
  • Denk om de onregelmatige:
        • vis, vim, vi  (= kracht, geweld);
        • Iuppiter, Iovis (= Iuppiter) en domus, domus (= huis)
Algemene geslachtsregels: (Deze gaan boven de regels per declinatie!)
Mannelijk zijn altijd: mannelijke personen: poëta = dichter
rivieren: Sequana = Seine
Vrouwelijk zijn altijd: vrouwelijke personen:
steden: Corinthus = Corinthe (beh. Delphi, -orum =M)

Geslachtsregels per declinatie:
a-stammen substantiva op -a zijn V.
o-stammen substantiva op -us en -er, -ir zijn M. substantiva op -um zijn N.
medeklinkerstammen de woorden op -or, (-os, -er)  zijn M.
beh: iter, -itineris (= tocht, reis) is O!
en arbor, -oris (= boom) is V!

de woorden op -io, -tas, -x   zijn V.
beh: o.a: sermo, -onis (= gesprek), ordo, -inis (= rij, orde), homo, -inis (man, mens) zijn M

de woorden op: -us en -men zijn O

Compleet:
-l, -e, -c
-n, -a, -t

-ar, -ur, -us
 
zijn O(nzijdig)
beh: substantiva op -us,- udis en -us, -utis zijn V! (bijv. virtus, -utis = moed, dapperheid)
sol, solis
= zon is M!
u-stammen substantiva op -us zijn M.
beh: domus (= huis) en manus (= hand, schare) zijn V!
e-stammen substantiva op -es zijn V.
***beh: dies (= dag) is M! (betekent het echter een vastgestelde dag of vervaldatum dan is het V!)

Latijnse grammatica

  1. vormleer: deze behandelt de vormen, verbuiging en vervoeging van de verschillende woordsoorten
  2. syntaxis: deze behandelt het vormen van structuur in zinnen en van zinsverband
  3. stilistica en taaleigen
    1. algemeen:
      1. a - b
      2. c - m
      3. n - z
      4. narratologie
      5. argumentatie

Vormleer per onderdeel :

  1. zelfstandige naamwoorden
    1. geslachtsregels
  2. bijvoeglijke naamwoorden
    1. corresponderende
    2. trappen vergelijking
  3. bijwoorden
    1. corresponderende
  4. telwoorden
  5. voornaamwoorden
    1. aanwijzende
    2. onbepaalde
    3. vragende
    4. persoonlijke
    5. bezittelijke
    6. betrekkelijke
  6. verba algemeen
    1. onvoltooid act.
    2. onvoltooid pas.
    3. voltooid. act.
    4. voltooid pas.
  7. deponentia
    1. onvoltooid
    2. voltooid
  8. onregelmatige ww
    1. fio fieri
    2. nolo, volo
    3. sum, possum
    4. eo
    5. fero
  9. stamtijden
    1. gewone
    2. (semi)deponentia