Werkvertaling Vergilius' Aeneis II, 1 - 13.




5




10


Allen werden stil en hielden hun gezichten gespannen (op hem) gericht:
toen begon vader Aeneas vanaf zijn hoge aanligbed zó (te spreken):
Een onuitsprekelijk, koningin, verdriet verzoekt u mij opnieuw te beleven,
(nl. te vertellen) hoe de Grieken de macht en het beklagenswaardige rijk
van de Trojanen hebben vernietigd, de zeer ongelukkige dingen die ikzelf heb gezien
en waaraan ik een groot aandeel had. Wie van de Myrmidoniërs of Dolopiers
of welke soldaat van de harde Ulixes zou bij het vertellen van zulke dingen
zich kunnen onthouden van tranen? En reeds valt de vochtige nacht van de hemel
hals over kop naar beneden en halen de ondergaande sterren over tot slaap.
Maar als er zo groot verlangen is (bij U) onze lotgevallen te leren kennen
en in het kort over de doodsstrijd van Troje te horen,
zal ik, hoewel mijn geest huivert het zich te herinneren en terugdeinst voor het verdriet, beginnen.