basiskennis
latijn
vereiste kennis
adiectiva

nv

gt

ADIECTIVA

Declinatie:

1e / 2e - decl.

3e  decl.

Geslacht:

M(asculinum)

F(emininum)

N(eutrum)

M of F

N

NOM

sg

bon us

bon a

bon um

fort is

fort e

GEN

sg

bon i

bon ae

bon i

fort is

fort is

DAT

sg

bon o

bon ae

bon o

fort i

fort i

ACC

sg

bon um

bon am

bon um

fort em

fort e

ABL

sg

bon o

bon a

bon o

fort i

fort i

VOC

sg

bon e

       

NOM

pl

bon i

bon ae

bon a

fort es

fort ia

GEN

pl

bon orum

bon arum

bon orum

fort ium

fort ium

DAT

pl

bon is

bon is

bon is

fort ibus

fort ibus

ACC

pl

bon os

bon as

bon a

fort es

fort ia

ABL

pl

bon is

bon is

bon is

fort ibus

fort ibus

Betekenis:

goed

goed

goed

sterk, dapper

sterk, dapper

 

Bij de adiectiva van de 1e/2e declinatie horen ook de adiectiva als:

Bij de adiectiva van de 3e declinatie horen ook:
        • adiectiva van 3 uitgangen op -er, -eris: acer, acris, acre ( = hevig, fel)
        • adiectiva van 1 uitgang (alle andere): felix ,-icis(= gelukkig)
        • adiectiva met abl. sg. op -e: vetus (= oud), dives ,-vitis(= rijk) en pauper , -eris(=arm)
        • het ppa: bv. vocans ,-ntis; (let op: abl. sg. op -e !)
Er zijn ook enkele adiectiva met een gen. sg. op -ius en een dat. sg. op -i !
        • unus (= één), solus (= alleen), totus (= geheel), ullus (= enig, één   enkele), nullus (= geen enkele), uter? (= wie van beide?), uterque (= elk van beide), neuter (=  geen van beide), alter (de één, de ander [van twee]), alius ,gen: alterius (= [een] ander)
Adiectiva (bijvoeglijke naamwoorden) worden gebruikt:
  • bij substantiva (zelfstandige naamwoorden) en passen zich daaraan aan in geslacht, getal en naamval!
  • als naamwoordelijk deel van het gezegde en passen zich aan aan het onderwerp in geslacht, getal en naamval!
  • (soms) zelfstandig.
 
 

basiskennis
1. vormleer
2. syntaxis

vertaaltips
gulden regels

per onderdeel
    vormleer:
  1. substantiva
  2. adiectiva
  3. adverbia
  4. correlativa
    1. adiectiva
    2. adverbia
  5. pronomina
    1. demonstrativa
    2. indefinita
    3. interrogativa
    4. personalia
    5. possessiva
    6. relativa
  6. numeralia
  7. verba algemeen
    1. onvolt. act.
    2. onvolt. pas.
    3. volt. act.
    4. volt. pas.
  8. deponentia
    1. praesens
    2. perfectum
  9. onregelmatige ww
  10. stamtijden
    1. deponentia
    2. composita

  11. syntaxis:

  12. participium
  13. abl.abs.
  14. gerundi(v)um
  15. aci en nci
  16. gebruik tempora
  17. modi in hoofdzin
  18. modi in bijzinnen
    1. afh. vraagzin
    2. causale
    3. comparatieve
    4. concessieve
    5. conditionele
    6. consecutieve
    7. relatieve
    8. temporele
  19. nominativus
  20. genitivus
  21. dativus
  22. accusativus
  23. ablativus
  24. vocativus
  25. locativus e.a.