domus huis

 
enkelvoud
meervoud
nom.
dom
us
dom
us
gen.
dom
us
dom
uum/orum
dat.
dom
ui
dom
ibus
acc.
dom
um
dom
os
abl.
dom
o
dom
ibus
voc.
 
 
N.B.: domi = thuis; domum = (ook) naar huis; domo = (ook) van huis
Basisbetekenissen van de naamvallen: (voor de andere betekenissen klik op de naam van de naamval!
Nominativus: onderwerp, naamwoordelijk deel, bijstelling bij ondw.
Genitivus: van
Dativus: aan, voor, meew. vw.
Accusativus: lijdend voorwerp
Ablativus: vanaf, door, met
Vocativus ( beh. bij -us 2e decl. ev = nom!) aanspreekvorm