• ac = en
  • adhuc = nog (steeds)
  • ait / aiunt = hij/zij zegt / ze zeggen
  • ambo = beide, allebei
  • an = of
  • ante = (bijw) vroeger, tevoren
  • at = maar
  • attamen = maar toch
  • atque = en
  • autem = echter
  • cum ... tum = zowel ..als
  • cur = waarom
  • denique = tenslotte, kortom
  • donec = totdat
  • diu = lang(e tijd)
  • dum = terwijl, zolang als (+ ind.)
  • enim = want, immers
  • et = en, ook
  • etiam = ook, zelfs
  • fortasse = misschien
  • forte = (bijw.) toevallig
  • frustra = (te)vergeefs
  • haud = helemaal niet
  • iam = al, reeds
  • iam + ontkenning = ...meer
  • ideo= daarom
  • *illac= daarlangs
  • *illuc= daarheen
  • inquam = ik zeg/zei
  • inquit = hij/zij zegt/zei
  • intus= binnen
  • mille, milia = duizend, duizenden
  • modo = zoëven, zojuist, zopas
  • modo.....modo = nu eens...dan weer
  • mox = spoedig, weldra
  • nam = want
  • nec, neque= en niet, ook niet, want niet, zelfs niet
  • neu, neve = en opdat niet (+ coni.)
  • ni(hi)l = niets
  • nimium = te, te zeer
  • non = niet
  • novem = negen
  • numquam = nooit
  • nunc = nu
  • plus = meer (dan)
  • postquam = nadat (+ ind. perf.)
  • procul = ver (weg), van verre
  • prope = nabij, bijna
  • -que = en (voor het woord waar -que achter staat)
  • quam = dan (na comp. of comparatief begrip)
  • quamquam = hoewel
  • quamvis= hoewel, ofschoon
  • quasi = alsof, als het ware
  • quidem = weliswaar, althans
  • quisquis = wie ook maar
  • quocumque = waarheen ook maar
  • quod= omdat
  • quoniam = omdat, aangezien
  • quoque = ook
  • quotiens = hoe vaak
  • retro = terug
  • rursus = weer, opnieuw
  • saepe = dikwijls
  • satis = voldoende, genoeg
  • scilicet = natuurlijk, vanzelfsprekend
  • sed = maar
  • semper = altijd
  • si = als, indien
  • sic =
  • sicut = zoals
  • simul = zodra; tegelijk, samen
  • sive, seu = of, hetzij
  • tam =
  • tandem = eindelijk
  • tantum = (bijw.) slechts, alleen maar
  • tamen = toch
  • ter = driemaal
  • tot = zoveel (wordt niet verbogen; zie ook correlativa)
  • totiens = zo vaak
  • tum = dan, toen, op dat moment
  • ubi = waar
  • ubi (primum) = zodra als, wanneer
  • ultra = verder
  • unde = waarvandaan, vanwaar
  • undique = van/aan alle kanten
  • usque = aan een stuk door, onafgebroken
  • ut ... ita = weliswaar ... maar
  • vale = vaarwel, het ga je goed, gegroet
  • -ve= of ...
  • vel= of
  • velut = als, alsof
  • vero= maar, echter
  • vix = nauwelijks, met moeite
kleine woordjes (die met een * behoren niet tot de basiswoorden)