os, ossis (N) been,bot

 
enkelvoud
meervoud
nom.
os
 
oss
a
gen.
oss
is
oss
ium
dat.
oss
i
oss
ibus
acc.
os
 
oss
a
abl.
oss
e
oss
ibus
voc.
 
 
Basisbetekenissen van de naamvallen: (voor de andere betekenissen klik op de naam van de naamval!
Nominativus: onderwerp, naamwoordelijk deel, bijstelling bij ondw.
Genitivus: van
Dativus: aan, voor, meew. vw.
Accusativus: lijdend voorwerp
Ablativus: vanaf, door, met
Vocativus ( beh. bij -us 2e decl. ev = nom!) aanspreekvorm