studiehulp

ovidius 2002
livius 2003
cicero 2004
ovidius 2005
livius 2006

stt. uit CEVO voorkomend in pensum Livius

gewone stt
composita
(semi)deponentia


basiskennis

vormleer
syntaxis

 

4, 5, 6 gymnasium
latijn
stamtijden
werkwoorden + composita
Composita
accendo 3 accendi * accensus accendere in brand steken, aansteken
incendo 3 incendi * incensus incendere in brand steken
ago 3 egi actus agere 3 voeren,drijven; doen, verrichten; (be)handelen
exigo 3 ex-egi ex-actus exigere 3 verdrijven; opeisen; volbrengen
per-ago 3 per-egi per-actus per-agere 3 voltooien
cado 3 cecidi !! casurus cadere 3 vallen, sneuvelen
accido 3 ac-cidi accidere 3 gebeuren
incido 3 in-cidi incidere 3 vallen in/op; terechtkomen in
caedo 3 cecidi !! caesus caedere 3 vellen, doden
occido 3 oc-cidi oc-cisus occidere 3 doden
capio 3 cepi captus capere 3 pakken, nemen
accipio 3 ac-cepi ac-ceptus accipere 3 ontvangen, verkrijgen; aannemen
concipio 3 con-cepi con-ceptus concipere 3 opnemen, opvatten
excipio 3 ex-cepi ex-ceptus excipere 3 uitzondere; opnemen, ontvangen
incipio 3 in-cepi in-ceptus incipere 3 beginnen
praecipio 3 prae-cepi prae-ceptus praecipere 3 voorschrijven, bevelen
se recipio 3 se re-cepi se re-ceptus se recipere 3 zich terugtrekken; zich herstellen
suscipio 3 sus-cepi sus-ceptus suscipere 3 op zich nemen, ondernemen
cedo 3 cessi cessum cedere 3 (weg)gaan, wijken
accedo 3 ac-cessi ac-cessum accedere 3 naderen, erbij komen
concedo 3 con-cessi con-cessum concedere 3 weggaan; toegeven; toestaan
discedo 3 dis-cessi dis-cessum discedere 3 uiteengaan, weggaan
excedo 3 ex-cessi ex-cessum excedere 3 uitgaan, weggaan
incedo 3 in-cessi in-cessum incedere 3 voortgaan; binnendringen
procedo 3 pro-cessi pro-cessum procedere 3 voortgaan, naar voren lopen
recedo 3 re-cessi re-cessum recedere 3 teruggaan, weggaan
cerno 3 crevi !! cretus !! cernere 3 onderscheiden, zien
decerno 3 de-crevi de-cretus decernere 3 besluiten, beslissen
comprehendo 3 comprehendi * comprehensus comprehendere 3 vastpakken; begrijpen
deprehendo 3 de-prehendi de-prehensus deprehendere 3 grijpen, betrappen
curro 3 cucurri cursum currere 3 rennen
occurro 3 oc-curri oc-cursum occurrere 3 tegemoet/ertegenin gaan
do 1 dedi datus dare geven
addo 3 ad-didi ad-ditus addere 3 toevoegen
condo 3 con-didi con-ditus condere 3 stichten; opbergen, verbergen
dedo 3 de-didi de-ditus dedere 3 overgeven, uitleveren
edo 3 !! e-didi e-ditus edere 3 voortbrengen; uitgeven
prodo 3 pro-didi pro-ditus prodere 3 verraden; tonen, laten blijken
reddo 3 red-didi red-ditus reddere 3 teruggeven
trado 3 tra-didi tra-ditus tradere 3 overhandigen, uitleveren, overleveren
duco 3 duxi ductus ducere 3 leiden, brengen
adduco 3 ad-duxi ad-ductus adducere 3 brengen naar, brengen tot
deduco 3 de-duxi de-ductus deducere 3 (naar beneden) leiden, wegeliden
educo 3 e-duxi e-ductus educere 3 naar buiten leiden
perduco 3 per-duxi per-ductus perducere 3 brengen tot
reduco 3 re-duxi re-ductus reducere 3 terugvoeren
eo ii itum ire gaan
abeo ab-ii ab-itum abire weggaan
adeo ad-ii ad-itum adire gaan naar, komen naar, zich wenden tot
exeo ex-ii ex-itum exire uitgaan, weggaan
ineo in-ii in-itum inire binnengaan
intereo inter-ii inter-itum interire sterven, ertussenuit gaan
pereo per-ii per-itum perire omkomen
redeo red-ii red-itum redire teruggaan
subeo sub-ii sub-itum subire naderen
transeo trans-ii trans-itum transire overgaan, overtrekken; voorbijgaan
facio 3 feci factus facere 3 maken; doen
afficio 3 af-feci af-fectus afficere 3 iem. (met) iets aandoen
conficio 3 con-feci con-fectus conficere 3 afmaken, volbrengen; vernietigen
deficio 3 de-feci de-fectus deficere 3 in de steek laten; ontbreken
efficio 3 ef-feci ef-fectus efficere 3 tot stand brengen, bewerkstelligen
interficio 3 inter-feci inter-fectus interficere 3 doden
perficio 3 per-feci per-fectus perficere 3 voltooien
proficio 3 pro-feci pro-fectum proficere 3 vorderen; baten
sufficio 3 suf-feci suf-fectum sufficere 3 voldoende zijn
fero tuli latus ferre dragen, brengen; verdragen
affero at-tuli al-latus afferre mee-, ergens heen brengen; overbrengen
aufero abs-tuli ab-latus auferre wegnemen
confero con-tuli col-latus conferre bijeenbrengen; vergelijken
defero de-tuli de-latus deferre (weg)brengen
differo dis-tuli di-latus differre uitstellen; verschillen
effero ex-tuli e-latus efferre naar buiten brengen/dragen; verheffen
infero in-tuli il-latus inferre brengen naar
offero ob-tuli ob-latus offerre aanbieden
perfero per-tuli per-latus perferre overbrengen; verdragen
praefero + dat. prae-tuli prae-latus praeferre verkiezen boven
profero pro-tuli pro-latus proferre te voorschijn brengen
refero ret-tuli re-latus referre terugbrengen; berichten, rapporteren
transfero trans-tuli trans-latus transferre overbrengen.
fugio 3 fugi * fugere 3 vluchten
effugio 3 ef-fugi * effugere 3 ontvluchten, ontkomen
fundo 3 fudi fusus fundere 3 gieten, storten
effundo 3 ef-fudi ef-fusus effundere 3 uitgieten, uitstorten
iacio 3 ieci iactus iacere 3 gooien
adicio 3 ad-ieci ad-iectus adicere 3 toevoegen
deicio 3 de-ieci de-iectus deicere 3 neerwerpen, laten vallen
obicio 3 ob-ieci ob-iectus obicere 3 werpen voor; verwijten
iungo 3 iunxi iunctus iungere 3 verbinden
coniungo 3 con-iunxi coniunctus coniungere 3 verbinden
iuvo 1 iuvi iutus iuvare helpen
adiuvo 1 ad-iuvi ad-iutus adiuvare helpen
lego 3 legi * lectus legere 3 verzamelen; kiezen; lezen
colligo 3 col-legi col-lectus colligere 3 verzamelen
deligo 3 de-legi de-lectus deligere 3 (uit)kiezen
eligo 3 e-legi e-lectus eligere 3 uitkiezen
intellego 3 intel-lexi intel-lectus intellegere 3 begrijpen
mitto 3 misi missus mittere 3 zenden, sturen
admitto 3 ad-misi ad-missus admittere 3 toelaten
amitto 3 a-misi a-missus amittere 3 verliezen
committo 3 com-misi com-missus committere 3 aangaan (proelium); begaan (scelus); toevertrouwen (+ dat.)
demitto 3 de-misi de-missus demittere 3 naar beneden laten gaan
dimitto 3 di-misi di-missus dimittere 3 wegsturen, laten gaan
emitto 3 e-misi e-missus emittere 3 laten weggaan, loslaten
omitto 3 o-misi o-missus omittere 3 weglaten, achterwege laten; opgeven
permitto 3 per-misi per-missus permittere 3 toevertrouwen; toestaan
promitto 3 pro-misi pro-missus promittere 3 beloven
remitto 3 re-misi re-missus remittere 3 terugsturen; loslaten
moveo movi ** motus movere 2 bewegen, verplaatsen
admoveo ad-movi ** ad-motus admovere 2 ergens heen brengen, voeren
removeo re-movi ** re-motus removere 2 verwijderen
nosco 3 novi notus noscere 3 leren kennen
agnosco 3 ag-novi ag-nitus agnoscere erkennen; herkennen
cognosco 3 cog-novi cog-nitus cognoscere leren kennen, vernemen
ignosco 3 + dat. ig-novi ig-notum ignoscere 3 vergeven
pello 3 pepuli pulsus pellere 3 (ver)drijven
expello 3 ex-puli ex-pulsus expellere 3 verdrijven
impello 3 im-puli im-pulsus impellere (aan)drijven, in beweging brengen; ertoe brengen
peto 3 peti(v)i petitus petere 3 vragen; streven naar; gaan naar, afgaan op
repeto 3 re-peti(v)i re-petitus repetere 3 terugvragen; herhalen; opnieuw verlangen
pono 3 posui positus ponere 3 plaatsen, neerleggen
compono 3 com-posui com-positus componere 3 bij elkaar plaatsen, ordenen; bijleggen
depono 3 de-posui de-positus deponere 3 neerleggen
dispono 3 dis-posui dis-positus disponere 3 verspreid opstellen
impono 3 im-posui im-positus imponere 3 leggen op, plaatsen op
propono 3 pro-posui pro-positus proponere 3 openbaar maken; voor ogen stellen, voorstellen.
premo 3 pressi pressus premere 3 drukken; in moeilijkheden brengen
opprimo 3 op-pressi op-pressus opprimere 3 neerdrukken; overweldigen, overvallen
rapio 3 rapui raptus rapere 3 grijpen, roven
eripio 3 e-ripui e-reptus eripere 3 wegrukken, ontrukken
rumpo 3 rupi ruptus rumpere 3 breken
corrumpo 3 cor-rupi cor-ruptus corrumpere 3 bederven; omkopen
sedeo sedi ** sessum sedere 2 zitten
obsideo ob-sedi ob-sessum obsidere 2 bezetten, belegeren
possideo pos-sedi pos-sessum possidere 2 bezitten
statuo 3 statui * statutus statuere 3 stellen; vaststellen; besluiten
instituo 3 in-stitui * in-stitutus instituere 3 instellen, beginnen
constituo 3 con-stitui * con-stitutus constituere 3 stellen, plaatsen; vaststellen, besluiten
sto 1 steti statum stare staan
insto 1 +dat. in-stiti instare op de hielen zitten
obsto 1 ob-stiti obstare in de weg staan, hinderen
praesto 1 prae-stiti praestare overtreffen; verrichten
consisto 3 con-stiti consistere 3 gaan staan, blijven staan
resisto 3 re-stiti resistere 3 weerstand bieden
suadeo suasi suasus suadere 2 aanraden
persuadeo + dat per-suasi per-suasus persuadere 2 overreden, overtuigen
sum fui (futurus) esse zijn
absum a-fui   abesse afwezig zijn
adsum ad-fui   adesse aanwezig zijn; helpen
desum de-fui   deesse ontbreken; zich aan iets onttrekken
intersum inter-fui   interesse liggen/zijn tussen; aanwezig zijn bij.
prosum pro-fui   prodesse voordelig zijn, van nut zijn
supersum super-fui   superesse overblijven
tango 3 tetigi tactus tangere 3 aanraken
contingo 3 con-tigi con-tactus contingere 3 (aan)raken
tendo 3 tetendi tentus tendere 3 (uit)strekken; streven naar
contendo 3 con-tendi * con-tentum contendere 3 zich inspannen; zich haasten; strijden
intendo 3 in-tendi * in-tentus intendere 3 spannen, richten
ostendo 3 os-tendi * os-tentus ostendere 3 tonen, laten zien.
teneo tenui tentus tenere 2 (vast)houden
contineo con-tinui con-tentus continere 2 (bijeen) houden
obtineo ob-tinui ob-tentus obtinere 2 in bezit nemen; in bezit houden
pertineo per-tinui per-tentus pertinere 2 zich uitstrekken tot; betrekking hebben op
retineo re-tinui re-tentus retinere 2 tegen-, vasthouden; behouden
sustineo sus-tinui sus-tentus sustinere 2 omhoog houden; uithouden
venio 4 veni * ventum venire komen
convenio 4 con-veni * con-ventum convenire samenkomen
evenio 4 e-veni * e-ventum evenire gebeuren
invenio 4 in-veni * in-ventum invenire vinden
pervenio 4 per-veni * per-ventum pervenire (aan)komen, bereiken
verto 3 verti * versus vertere 3 draaien, wenden; veranderen
averto 3 a-verti * a-versus avertere 3 afwenden
converto 3 con-verti * con-versus con-vertere 3 (om)draaien; veranderen
video vidi ** visus videre 2 zien
provideo pro-vidi ** pro-visus providere 2 voorzien; zorgen voor + dat.

wr.koopmans © 2000/02